31.5.21

30.5.21

Een aforisme van oom Floris

 


 

 

 

 

 

Als u denkt dat vroeger alles beter was, bedenk dan eens wat men daar vroeger over dacht.

29.5.21

Rapportage

Als agent voor een ultra-geheime geheimzinnige overheidsorganisatie infiltreer je in een samengesteld gezin, volledig bestaande uit aliens. Breng rapport uit over hun bijzondere superkrachten, hun namen (aliassen, enz.)

(Opgelet: telepathie wordt niet langer beschouwd als een bijzondere superkracht. Je zou nooit agent voor deze ultra-geheime geheimzinnige overheidsorganisatie zijn geworden indien je zelf niet over deze gave beschikte.)

 

 

28.5.21

De leemte

Net toen ik zou gaan juichen werd er aangebeld. Ik deed open en daar stond een forse leemte waar ik mij tot op heden niet van bewust was dat ze bestonden.
'Dus u bent een leemte?' zei ik.
'Jazeker!' antwoordde zij.
Ik bood haar een kopje thee en een stukje taart aan en wachtte af. 
'Hèhè, dat vult... zal ik een plaats innemen in uw bestaan?'
Ik had het gevoel dat dit al jaren het geval was.
Zij dronk haar thee op en zei:
'We komen er wel uit.''
En zeggen dat ik eerst nog wilde juichen.



27.5.21

Nep in gedachten

 Nep dacht aan een vrouw.
‘Waarom denk je aan mij, kan je mij niet vergeten?”
Nep bleef aan haar denken.
“Waarom blijf je aan me denken, deed ik iets verkeerd?”
“Hou op met aan mij te denken.”
Nep dacht niet meer aan de vrouw.
Nep wilde hoesten en zocht naar zijn zakdoek.
“Wat zoek je.”
Nep dacht niet meer aan de vrouw en zocht zijn zakdoek.
“Je, zakdoek, die ligt waar hij altijd lag;” dacht de vrouw en ze zette Nep uit haar hoofd.


 

26.5.21

Het helpt niet

- Zijn we nu al in het land waar de vrouwen hun borsten uitlaten?
- Ja hoor.
- Ik merk niets.
- Je moet er wel oog voor hebben.
- Zie je dan al iets?
- Ja.
- Hoe lang denk je te blijven? 
- Geen idee. We zijn er nog maar pas.
- Zeg je het wanneer je iets ziet?
- Dat helpt je niets vooruit.


25.5.21

Tot ziens was ruimschoots


 

 

 

Het was op een keer dat de grote touwtrekster zich uit een wolk naar beneden liet zakken. Om sneller beneden te zijn liet zij daarvoor op het eind haar touw door haar handpalmen glijden. Pardoes viel zij voor mijn voeten. Ik hielp haar recht en zei:
“Goedendag.”
Ook zij zei:
“Goedendag.”
Dat was voorlopig ruimschoots en zij verklaarde:
“Tot ziens.”
“Tot ziens.” 

24.5.21

De lachende touwtrekster


 

Sinds de touwtrekster zich liet ophijsen is alles weer grijs. Dus houd ik mij vooral bezig met me alles te herinneren en mij voor te stellen hoe het anders had gekund. Soms volstaat dat om de slaap te vatten en via die weg opnieuw vriendschap te sluiten. Dan huil ik en zij lacht.

23.5.21

Zondagdroom

Waar is de tijd dat toen ik droomde van mijn hond, ik mij nog afvroeg of mijn hond dan ook - van uit zijn standpunt dan - hetzelfde had gedroomd. Over mensen heb ik mij drie vraag eigenlijk nooit gesteld.

 

21.5.21

Ilse is woedend!


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tot haar grote consternatie en woede ontdekt Ilse dat haar 'vrienden' achter haar rug een groot feest organiseerden, en zij was niet uitgenodigd! Geef zes van de zeven 'vrienden' een naam en bedenk de scheldwoorden die zij voor elk apart heeft gebruikt.


1.

2.

3.

4.

5.

6.

20.5.21

Onzin

- Kunnn w wl zondr d lttr in ht lvn?
- Doorgaans wl, dnk ik.
- Ht wordt wl wnnn.
- Maar waarom zoudn w ht zondr don?
- Uit solidaritit.
- Solidaritit?
- Mt d stmlozn.
- Onzin.


19.5.21

Stervende clowns

 




















- Wat dacht je van een vlucht voorwaarts?
- Als metafoor voor het leven?
- Ja.
- Mmm… vind je stervende clowns dan niet beter?
- Stervende clowns?
- Of een wielerwedstrijd?
- Ach, kom nou! Nee, dan eerder worst eten.
- Worst.
- Soms denk ik… de evolutie van de taal!
- Is dat niet wat intellectueel?
- Het was maar een voorstel.
- Dan toch maar stervende clowns?
- Ach, stervende dit, stervende dat…

18.5.21

Verslag van een bijna gebeurde gebeurtenis


 

 

 

 

 

 


Een man met vier zitvlakken wilde bewijzen dat hij ook comfortabel zitten kon op vier keukenstoelen. Een comité van kenners werd ingevlogen om dat feit waar te nemen. Zij waren benieuwd want hadden zoiets nog nooit gezien, en vroegen zich af of het aangeboren kennis was. Voorzichtig liet de man met de vier zitvlakken zich achterover zakken, maar net wanneer hij neerploffen zou op de vier stoelen tegelijk, vermande hij zich: “Dit is vernederend, ik ben wie ik ben,” dacht hij in allebei zijn hoofden, en hij groette het comité met een korte knik. ’s avonds dansten allen samen de horlepiep. 

17.5.21

Put

Ik zou eens een put graven, dieper dan iemand mij ooit eigenhandig voordeed (anders is het makkelijk). Daar kruipt tijd in, dat begrijpt u best. Af en toe kwam iemand eens kijken. Een enkeling gaf goed raad. Hulp kreeg ik niet aangeboden. Het is een hele oefening, zo’n put. Maar al doende kom je dieper dan je eigenlijk beseft. Je graaft niet meer in grond. Je krijgt zelfvertrouwen, je leert je limieten kennen en uiteindelijk is er het besef: ja, zo’n put graven, in wezen gaat dat wel vanzelf. Het is een kwestie van beginnen en niet ophouden. Precies op dàt moment moet je ermee stoppen! Want je moet er ook weer uit. Daar draait het om. Zo’n put mag je niet houden. Alle aanmoedigingen ten spijt.


 

16.5.21

Schrijf een ultra kort verhaal met uit elke kolom één woord:


 

 

Gewapend met een knuppel die ik onderweg opraapte begaf ik mij naar de volgende gebeurtenis om ook daar een puinhoop te ontketenen.

15.5.21

Boektitelrijm





 

 

 

 

 

 

 

 

- Wat was dat lawaai gisteren? Je ex die je lastig viel?
- Nee, dat was Willem die amok maakte.


14.5.21

De Griekse maffia

 









“Ik breng u naar Stavros.”
Zo begon mijn kennismaking met de Griekse maffia. Omdat een aantal mensen uit die tijd die nog in leven zijn en om hun kinderen te beschermen laat ik de belangrijkste dingen weg uit mijn relaas, maar ik kan u zeker meedelen dat ik in mijn tuintje van drie bij elf twee kippen houd, en één bijenkorf. Dat zijn verifieerbare feiten. Ik kom alleen buiten na zonsondergang en heel soms krijg ik bezoek van A. Dat is altijd iets waar ik naar uitkijk. Zij heeft het niet gemakkelijk.

13.5.21

Pap

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- Ik wil pap.
- Van pap wordt je dik.
- Dan wil ik seks!
- Seks, waarom?
- Daar lust ik wel pap van.

12.5.21

Alles

- Toen vader stierf was ie niet meteen dood.
- O neen?
- Neen.
- Wat was er dan?
- Hij slaakte nog een diepe zucht.
- O ja?
- Alsof hij daarmee alles samenvatte.

11.5.21

Mijn trompet

 







- Uw trompet klinkt niet.
- Dat weet ik.
- Hoe komt dat toch.
- Zij wil niet
- Zij wil niet?
- Nee, en zij wil ook de maat niet slaan
- Wat?
- Maar zij kan veel andere dingen hoor.
- O ja?
- Ja, maar dat deel ik alleen met haar.

10.5.21

Vleugels

 

Het feit dat vogels niet altijd vliegen (op een enkele uitzondering na) ligt aan de stand van hun vleugels.

9.5.21

Het verschil tussen 'opeens' en 'ineens'.


 

 

 

 

 

Het verschil tussen opeens en ineens is dat je je opeens kan afvragen wat dat verschil dan wel is, maar daar niet zo ineens kan op komen.

8.5.21

Meer informatie

Grondman 1 (een jonge vrouw, verslaggeefster van belangrijke gebeurtenissen):                                                                                                                                      Hebben we het dan over hardnekkig gebied?
Grondman 2 (een al wat oudere dame, die door de scheur is gestapt en voor even terugkwam):
                                                                                                                Hardnekkig gebied?
Grondman 1:
Ja, is het hardnekkig gebied?
Grondman 2:
Hoezo?
Grondman 1:
Nou ja, hardnekkig. Weerspannig?
Grondman 2:
O! Bedoelt u dat! Of het hardnekkig gebied is.
Grondman 1:
Ja.
Grondman 2:
Hoe zo’n gebied hardnekkig kan zijn, of eigenlijk weerspannig.
Grondman 1:
Ja. Of u ons kan vertellen of het een hardnekkig gebied is. Weerspannig zelfs.
Grondman 2:
Daar stelt u mij een mooie vraag.
Grondman 1:
… hiermee gaan wij terug naar de studio waar onze gasten inmiddels klaar zitten met meer informatie.



7.5.21

Inversie

 ‘Hé, wat doe jij hier op dit uur?’
Het was beslist zo niet bedoeld, maar ik geef het toe: opeens had ik mijn sigaret in zijn rechteroog geduwd.
Aauww… jij kl____zak!’(1)
De grondman werd opeens zeven keer groter dan ik en wilde mij vastgrijpen. Gelukkig ben ik leniger en sneller en wist ik hem te ontglippen. Ik ontsnapte door de tuin van de bakker, doorheen het bos, langs de spoorweg, om de vijver, binnen en buiten de kerk, vermeed het parlement… kortom, ik rende voor mijn leven. Een grote vrachtwagen (Rungis-Rotterdam) toeterde net nadat ik de snelweg was overgestoken. Uiteindelijk was ik zo snel dat ik in feite àchter mijn achtervolger aanliep. Dat heet inversie in het wereldje van de achtervolgers. Ik greep hem bij de panden van zijn jas en liet mij nog kilometers ver meevoeren. Tot hij moe werd en onder een boom in slaap viel. Op mijn tenen liep ik van hem weg en kwam thuis. Wat een avontuur, dacht ik, hoewel het nog niet helemaal voorbij was, want er werd nog aangebeld. Het was de grondman. Hij verontschuldigde zich voor de manier waarop hij mij had aangesproken. Enigzins morrend aanvaardde ik zijn verontschuldigingen, excuseerde mij omdat het een drukke nacht was geweest, en ging weer naar binnen. Daar dacht ik nog even aan alle plekjes waar ik vorige nacht was geweest en wat ik daarvan kon leren... tot ik op de tafel een dampende mok granenthee zag staan. Een mens moet alles proberen in het leven. 

 

 

(1) kleizak
 

6.5.21

Laatste gesprekken van grondmannetjes

Wij bevinden ons momenteel onder de grond, alwaar twee grondmannetjes, elk apart, voorbereidingen treffen.

Grondmannetje 1:                                     Vaarwel mevrouw.
Grondmannetje 2 (een vrouw dus):           O ja!
Grondmannetje 1:                                     Vaarwel mevrouw.
Grondmannetje 2:                                     U blijft?
Grondmannetje 1:                                     Pardon?
Grondmannetje 2 (andere intonatie):        U blijft?
Grondmannetje 1:                                     Nog even.
Grondmannetje 2:                                     We hebben niet veel tijd.
Grondmannetje 1:                                     We leven in een sprookje.
Grondmannetje 2:                                     Wat je leven noemt.

Beiden kijken vertwijfeld met op de achtergrond een vallende ster.


 

5.5.21

De vondst

 

 

 

 

 

 

 

Enkele weken later. Ik was mij nog steeds van geen kwaad bewust liep ik voorbij het huis van de burgemeester toen mijn oog op iets alleraardigst viel. Het schoentje van een grondvrouwtje. Ik raapte het kleinood op om het thuis in beter licht te kunnen zien. Het was prachtig, vederlicht en zelfs merkwaardig. Zaterdag ging ik naar de schoenmaker. Je kan nooit weten.

O! Zei die. ‘Bent u het die…’
Nu ja, wilde ik al zeggen.

Toen werd ik van achteren gegrepen en werd alles donker voor een tijd.

4.5.21

De grondman

Na jarenlang alleen voor winstbejag geleefd te hebben besloot ik het over een andere boeg te gooien toen de grond zich voor mij opende. Daar verscheen mijn eerste grondman aan de oppervlakte, al zou ik er later andere leren kennen. Gelukkig maar, al kon ik dat op dat moment niet weten. Hij bood mij rookgerief en drank (niet meteen zijn beste zet) in ruil voor het oplossen van een raadsel, maar daar ging ik niet op in. Ik drink niet en ik rook niet, en raadselachtig ben ik nooit geweest.

3.5.21

De doorzichtige man

Na een jaar had zij hem helemaal door.
‘Nu al?’ dacht hij verbaasd.
‘Je bent ook zo doorzichtig,’ antwoordde zij (zo goed had zij hem door.)
‘Je kent me toch. Ik meen het goed!’
Ook dat wist zij, zuchtte ze
.

2.5.21

Iwan en Wladimir

- Hij had zijn ogen niet in zijn zak Iwan.
- Neen Wladimir. Maar zijn bril jammer genoeg wel.

1.5.21

Stokslagen

Natuurlijk weet ik het nog. Jij toch ook. Ook nog de kleine dingen. Vooral de kleine dingen. Zeker, ja. Hier. Of ook daar. Ik draag het verder mee. Het is als stokslagen.