25.3.15

Veel later



Ooit mocht ik eens meefietsen met iemand die precies wist wie ik was.
“Jazeker,” zei hij op zo’n manier dat ik meteen dacht te weten hoe de vork op de as paste. Hij keek mij daarbij olijk aan en nog voor ik op die voor de hand liggende vraag was gekomen beantwoordde hij ze al:
“Uiteraard, ik weet ook wie ik ben!"
“En dus zijn we uitgepraat.”
wilde ik dit vreemde gesprek maar meteen afsluiten.
“Tot op zekere hoogte, maar mocht jij er later nog iets willen aan toevoegen. Dat je veranderd bent bijvoorbeeld, laat het dan gerust weten.
“Afgesproken,” zei ik weer een van die dingen waarvan ik de reikwijdte altijd pas veel later inschat.



24.3.15

Sprookjesland



Hij wilde wel eens een drakendoder de hand schudden en is daarom naar sprookjesland vertrokken. Met heel zijn hebben en houden naar verluidt. Maar een drakendoder de hand schudden is er daar niet van gekomen. Zij hebben daar heel andere gewoonten.



23.3.15

De heren zonder afspraak



"Daar heb je de heren zonder afspraak ook nog!"
“Vind je ze niet een beetje raar?"
“Raar? Hoezo?"
“Zoals zij zich uitdossen, en ons aanstaren, alsof wij voor zoveel bekijks zorgen."
“Ja, maar overal waar zij komen delen zij hun wijsheid."
“Is wijsheid niet ondeelbaar?"
“Dat heb ik ook heel lang gedacht."



21.3.15

Tijdsgebrek



“Ja, dat behoort ook tot de mogelijkheden,” waren de mannen die elkander tal van uitkomsten voorspiegelden het roerend eens, “Maar al het vorige dus ook! Wij hebben nood aan een bredere interpretatie."
Dat was een verzuchting die zij al meermaals geuit hadden, en ik begrijp zeker ook waarom. Het is echter een hele opgaaf om precies uit te leggen waarom en ik vraag mij af of daar nog wel tijd voor is.



20.3.15

Een aforisme van oom Floris



Sommige waarheden zijn heel pijnlijk. Maar je kan ze altijd proberen te ontlopen natuurlijk!



19.3.15

Hypothetisch



“Maar stel dat je op een dag te maken krijgt met wat doorgaans een klein vogeltje is, maar wat je nu een strop aanreikt waarmee je dit aardse leven achter je zou kunnen laten?"
“Dat zou mij eerlijk gezegd enorm verbazen!"
“’t Is maar hypothetisch hoor."
“Ja, ik ook."




18.3.15

Positief



“Maar pak je het nu eigenlijk wel ècht aan? Ik bedoel: onomwonden?"
“Eigenlijk niet, neen."
“Maar wanneer zal je het dan wel onomwonden aanpakken?"
“Dat komt er echt wel van hoor."
“Ik mag het hopen. Soms denk ik wel eens…"
“Wat denk jij wel eens?"
“Dat je het dus nooit onomwonden…"
“Neen hoor, ik pak het echt wel eens onomwonden aan."
“Dat is heel positief!"



17.3.15

Het zaakje



Het is niet omdat iemand zich inlaat met geheimzinnige zaken dat wij dat moeten verhinderen. Of zelfs maar slecht van denken. Wij zouden ons daarover beter eerst eens beraden. Of wij het niet gewoon moeten vertrouwen.



16.3.15

De verbaasde



Hij was van jongs af aan hoogst verbaasd, en daar heeft hij heel lang last van gehad.
Zelf heb ik zijn verbaasdheid altijd wel begrepen, in tegenstelling met de mensen met wie hij moest samenleven en die zij hem hoogst aanrekenden.
Dat was voor hem geen gemakkelijk leven, dat kan u zich vast wel voorstellen.
Uiteindelijk is hij zich gaan gedragen zoals de meesten en is hij zijn verbaasdheid minder en minder gaan tonen, en naarmate hij zich daarmee de dingen des levens makkelijker kon laten aanleunen werd zijn leven er iets makkelijker op. Zo stelde hij dat zelf.



14.3.15

De ogen



Wanneer wij in hun ogen kijken
is de angst of de gedachte dat
wij alles verliezen zullen iets
wat wij ons in grote mate zelf
aandoen natuurlijk.

Maar dat gevaar komt
eerder van hen die zich niet
in de ogen laten kijken.



13.3.15

Schulden



Het was Jacques menens toen hij onze schulden kwam invorderen en om dat te bewijzen dat nam hij alvast Liza mee. Maar er had bij mij een lichtje moeten gaan branden toen die laatste hierbij toch wel bijzonder weinig tegenstribbelde.



12.3.15

Wegcijfering



Het verdwijnen van de hobo uit ons straatbeeld betekent geenszins dat zijn klank niet meer geapprecieerd zou worden. Neen, wij dienen de oorzaak elders te zoeken. Misschien wel in een context van gemakzucht en eigenbelang. Of is het wegcijfering?



11.3.15

De koningin met het lelijke tafelzilver (een onverklaarbaar sprookje)



Er was eens een koningin die het lelijkste tafelzilver van heel het land bezat. Zo lelijk was het, dat de koning het zelfs nooit wilde gebruiken voor staatsbanketten ter ere van zeer vijandige staatshoofden.

Telkens, na een lange reis in het buitenland hoopte zij dat er in haar afwezigheid dieven het paleis zouden binnendringen die alle waardevols zouden meenemen, het tafelzilver inbegrepen. Dan stelde zij zich voor om, "met het geld van de verzekering er nieuw te kopen. Iets eigentijds, eenvoudig en smaakvol!”.

Maar hoe herhaaldelijk er ook gestolen werd in het paleis, het tafelzilver bleef altijd liggen.

Bij haar thuiskomst was het steevast haar eerste werk om naar de tafelzilverbewaarkamer te rennen en te kijken of het tafelzilver eindelijk verdwenen was. Maar neen hoor, zoals altijd lag het er nog. Glanzend, maar aartslelijk. Zij wist nooit waar zij eerst van weg moest kijken, de kroezen of de vismessen.

Soms moest zij er van huilen. De kans dat zij het hele zootje aan haar kinderen zou nalaten werd met de jaren reëler natuurlijk. En weggeven was geen optie. Elk weldenkend mens zou zulk een geschenk als een belediging beschouwen. Dat kon een koning of een koningin zich toendertijd niet veroorloven.

Zo bleef het tafelzilver vele generaties lang koninklijk bezit, en deelde elke koninklijke generatie, los van de andere zorgen eigen aan hun regeerperiode, hetzelfde verdriet.

Vandaag de dag is het land waar het tafelzilver zich bevind een republiek, uitgerust met een toeristische dienst die in haar campagnes de nadruk legt op het natuurschoon en het klimaat als troeven om buitenlandse toeristen te verleiden er geld te komen uitgeven. Men moet al heel veel sprookjes hebben gelezen om er weet van te hebben dat er ook nog nooit gestolen lelijk tafelzilver te bekijken valt. Het mag dan ook niet verwonderen dat de vraag hoe de koningin in dit sprookje eigenlijk heette nooit meer gesteld wordt. Maar dat is al wel meer koninginnen overkomen.



10.3.15

Bij volmondigheid



"’Ja’ was toch een woord met blanke armen?"
“Zeker. Dat was zo."
“Dat je kon omhelzen?"
“Inderdaad. Waarom?"
“Ik begon er aan te twijfelen."
“Nee, echt wel. Maar alleen bij volmondigheid."