13.8.20

De vrije markt

Hij was hautain, op het onbeschofte af.
“Jou ken ik!” zei hij.
Ik antwoordde dat ik ook de indruk had dat we elkaar ergens van kenden.
“Ach, wat maakt het uit?”
Ik kon mij niet herinneren van waar ik hem kende maar bevestigde dat het inderdaad niet veel uitmaakte.
“Precies,” zei hij en hij lichtte zijn hielen.
Toen schoot het me te binnen, ooit, op de vrije markt, daar had ik met hem te maken.

 

12.8.20

Het principe van de wederkerigheid

Ik wilde mij net
van iemands leven beroven
toen ik ineens besefte dat ik
met zelfmoord misschien wel
hetzelfde bereik.

Illustratie: Jacques de Loustal
 


11.8.20

Cryptisch warm of koud

“Hij moet zich op een dag diep in zichzelf hebben verborgen en niemand heeft hem ooit weten te vinden."
“Ja, maar soms denk ik toch dat hij iets wilde zeggen.”
“Dat zal wel, maar zijn warm of koud waren ook altijd zo cryptisch.” 

Illustratie: Jacques de Loustal


10.8.20

Bobbel

Illustratie: Jacques de Loustal
 

 

 

 

 

 

 

- Als je een bobbel voelt moet je het zeggen, hé?
- Maar jij ook hé!

9.8.20

De goudprijzen

Illustratie: Jeff Jordan


De kweek van kippen die gouden eieren leggen is de afgelopen jaren dusdanig performant geworden dat gevreesd mag worden voor de instorting van de goudprijzen. Voor consumptie zijn deze beesten niet geschikt.

8.8.20

Het beste beentje

Illustratie:Leonid V. Soyfertis







































- Zeg, het beste beentje voorzetten, had jij daar geen ervaring mee?
- Hoezo?
- Kwestie van een betere toekomst.
- Ja, maar dat zegt iedereen.
- Geldt dat ook voor het ongewisse?
- Absoluut.
- En het onzekere?
- Ja, dat gaat er mee samen.
- Ik kan het amper geloven.
- Het gaat ook om vertrouwen natuurlijk.
- En hoe doe je dat dan, dat voorzetten?
- Kijk, zò.

7.8.20

Een afflictie, geen syndroom

Er is mij vannacht is er mij iets vreemds overkomen. Ik ben opgestaan met lange armen. Op kantoor vroeg ik mijn collega’s wat zij daarvan dachten. Bleek dat hen hetzelfde was overkomen. Bij de ene al wat ongelijker dan bij de ander, maar, gemiddeld gesproken, waren ook hun armen langer geworden. Ons samen verwonderend over dit fenomeen, waarbij de ene meer bevoordeeld bleek dan de ander, besloten wij de bedrijfsarts te raadplegen. Het was best mogelijk dat een en ander gevolgen kon hebben in het arbeidsproces waar wij een onderdeel van waren.
Het mannetje keek ons verrast aan en greep dan naar een naslagwerk bovenop een kast in de hoek van zijn consultatiekamer. Hij hoefde er niet voor van zijn stoel te komediant zijn linkerarm bleek uitzonderlijk lang te zijn.
“Het gaat hier duidelijk om lange armen. Niet echt een syndroom dan wel een afflictie. De kans is reëel dat het vanzelf wel weer voorbijgaat.”
Ik bedankte hem en ging weer naar huis. Onderweg raapte ik spontaan afval en dierlijke uitscheiding op. De woorden van de de arts stemden mij niet hoopvol.
“In mijn straat hoorde ik door een open raam iemand een telefoongesprek voeren.
“Maar Jan, dat doe ik voor de armen!” klonk de lieve stem.
Daar kikkerde ik van op. Als het echt zwaar om dragen word kan ik dus ergens terecht.



6.8.20

Regenboog

Illustratie: Van Dokkum
























“Stop eens!”
“Is er wat?”
“Ik hoor een regenboog.”
“Een regenboog?”
“Ja, een regenboog.”
“Kan een regenboog wel spreken?”
“Zeker, en waarschijnlijk zelfs omhelzen.”
“Omhelzen èn spreken zeg je?”
“Ja, over het geluk dat hij kan brengen als je er voor open staat.”
“Ik vermoedde het al.”

5.8.20

Zou ik nog verder durven stappen

"O Jan! Het water is heerlijk. Zou ik nog vèrder durven stappen?"
"Ga maar Ingrid, ik hou je wel in het oog."

Illustratie: Michael Sowa

4.8.20

Men weet mij wonen

Illustratie.: Neil Bousfield
























Onder grote maatschappelijke druk ventileerde de eerste dwerg zijn mening. Het is hem later slecht bekomen. Maar onder indruk van zijn eloquentie volgden al snel de tweede en de derde dwerg met al even opzienbarende inzichten en best na te leven richtlijnen.
Uiteindelijk heb ik hen alle zeven aanhoord en onder de indruk van hun unieke perspectief op onze samenleving besloot ik er zelf nog iets aan toe te voegen. Dat werd evenwel niet in dank aanvaard en ik kreeg de boodschap dat men mij wist wonen.


3.8.20

Wat iedereen weet.



Er was eens een man die elke dag een nieuwe schanddaad wilde plegen, of een verwoestend bevel uitschreeuwen. Hoewel hij braaf was van inborst. Een schandelijk mens was hij geenszins.Hij koesterde ook niet elke dag bloeddorstige gedachten. Hoe sloeg zijn hond niet, en zijn vrouw héél zelden. Meestal per ongeluk. Hij kon het ook niet goed verwoorden, vanwaar de drang om schanddaden te plegen of om te schreeuwen? Hij had geen eelt in zijn handen. Natuurlijk wist hij wat er aan zat te komen, maar dat weet iedereen. Voor de rest zag niemand hem staan. Dus laten we het maar niet meer over hem hebben en verder snellen.