30.6.10

De beulen



Telkens als wij denken dat het veilig is en ons terug trekken om ons in te laten met aangename dingen komen de beulen tevoorschijn. Zij laten geen kans onbenut en met de flair hun soort eigen nemen zij schaamteloos bezit van de uiterlijkheden van beschaving die wij nalaten. Het moet gezegd, vaak passen die als een leren handschoen.

Doelbewust graaien zij in onze spullen en doen zich er mee voor als welwillende leiders, in de zekerheid dat wij beleefd zwijgen of ten hoogste meewarig knikken.

Zo komt stilaan dan de tijd dat zij over gaan tot daden! Waarvoor oude en vertrouwde technieken worden aangewend.En terwijl zij, niet eens in stilte, en vaardiger dan wij voor mogelijk houden, hun galgen bouwen, verdwijnen de eerste van onze kinderen.

28.6.10

Roekeloosheid



Nadat wij, na kort beraad, want het was voor ons ook iets nieuws, hadden besloten om de reuzin niet te doden, maar haar te verzorgen, te voeden en te kleden, zou er, en daar hadden wij eigenlijk niet genoeg over nagedacht, een ogenblik komen dat wij geheel aan haar zouden zijn overgeleverd. Het zou haar geheel vrij staan om ons te bedanken, ons te verpletteren en op te eten, ons zonder boe of ba in de steek te laten, of zich uit dankbaarheid aan ons te onderwerpen. Ook met andere eventuele opties hielden wij geen rekening.

27.6.10

Niets menselijks is hen...

De gele kaaiman is uit zijn kamer komen kruipen met een pakje voorbehoedsmiddelen en heeft zich in de sofa genesteld in afwachting dat mijn vrouw thuiskomt. Zoals gewoonlijk keurt hij mij geen blik waardig. Hij en mijn vrouw hebben al vier maanden lang een relatie die bestaat uit ongemakkelijke seks, gevolgd door urenlange gesprekken waarin zij hem ervan probeert te overtuigen dat hij heus wel wat te bieden heeft. Wanneer al zijn argumenten op zijn kruipt hij weer terug naar zijn kamer, waar wij hem op sombere dagen soms stilletjes horen snikken. Tegen beter weten in troost ik op die momenten mijn vrouw, omdat zij zich dan te kort voelt schieten.
Via via ben ik nu te weten gekomen dat er ook een chimpansee is die het met haar heeft aangelegd en ik geef toe, zij loopt er de laatste twee drie weken heel monter bij. Ik wacht op een gepast moment om de kaaiman hierover in te lichten.

26.6.10

Voorafgaandelijk overleg



„Vader, die doornenkroon tot daar aan toe, maar die steek in mijn zij, moet dat echt?”
„Natuurlijk Zoon, je mag de psychologische impact daarvan op het publiek niet onderschatten!”

25.6.10

Ware vriendschap is...



…op eender welk moment van onderbroek kunnen verwisselen.

23.6.10

Alles



„Prachtig weer hè!” zei hij, al viel dat nogal mee.
„Ja, dat zat ik net ook te denken,” antwoordde zij, al was ook dat niet waar want er was iets totaal anders dat haar al de hele dag bezig hield.

In die tijd konden zij elkaar nog alles zeggen.

22.6.10

Onze westerse wooncultuur



Vòòr de mensen in huizen woonden verbleven zij in spiegelgladde metalen buizen die, wanneer zij sliepen, door de goden in duizend bochten en richtingen werden verbogen en geplooid. Op die manier werden de mensen uiteraard hèèl flexibel en haast even soepel van geest. Om een of andere reden evenwel, gingen de goden zich allengs meer met andere zaken, zoals het dragen van paarden, vermaken en moest de mensheid zèlf haar zaakjes gaan bestieren. Dat leidde tot talloze rampen en niet te stelpen zielenpijn, maar ook tot onze ongeëvenaarde comfortabele westerse wooncultuur.

21.6.10

Haai



Heel zijn leven was hij door een haai vergezeld geweest en dat had - wij mannen kunnen ons dat eigenlijk niet voorstellen - een onuitwisbare indruk nagelaten op zijn persoonlijkheid. In feite was hij gaan geloven dat mensen zonder haai sociaal te kort komen en dààrom niet in staat tot diepe vriendschap en liefde. Tot zijn haai omkwam in de metro van Parijs en hij diezelfde avond nog troost vond bij een bleek meisje dat hem leerde dat een haai eigenlijk niet alles is.

20.6.10

Het lot



Hij zou nog onder ons zijn als:

1) God had ingegrepen.
2) Hij gezond geleefd had.
3) Zijn vrouw onmiddellijk de hulpdiensten had gebeld.

Een aforisme van oom Floris



Er gaat altijd veel tijd verloren met het woelen in hoeken en kanten, het afspeuren van allerlei randjes of het omvouwen van allerlei plooien, terwijl de waarheid meestal wel in het midden ligt.

19.6.10

De redding van de wereld



Toen M. op een ochtend door het Middelheimpark wandelde begreep hij ineens dat de wereld gered was. Hij bracht onmiddellijk zijn geliefden en kennissen op de hoogte van het heuglijke nieuws, zonder er de gevolgen van in te schatten. Zij flapten het er tegen de eerste de beste die zij tegenkwamen uit en al vlug wisten alle aardbewoners op aarde ook dat de wereld gered was. Op de vraag, van tal van multinationals en financiële instellingen wier lange en korte termijn beleid door deze verandering van parameter danig in de war werd gestuurd, wie dan eigenlijk de aarde had gered verwees men naar M., die dan op zijn beurt verhaalde van zijn moment van inzicht daar in het Middelheimpark, maar hoe de wereld nu echt gered werd is nog niet helemaal duidelijk.

18.6.10

Open voor alles



Mijn vrienden besloten zich open te stellen voor heel de wereld en zij aanvaardden om zich hiervoor aan de noodzakelijke apparatuur te laten aansluiten. Zij zagen blijkbaar de gevaren niet in van het feit dat op die manier, mens en dier, van Hindoestaan tot schorpioen, tot in het diepste van hun ziel zou kunnen kijken en er alle geheimen in zou herkennen. Geen mens kan zulks overleven, bedacht ik en ik weigerde om mee te doen.Toen ik hen na enkele dagen weerzag waren zij nog slechts wrakken voor wie geen redding meer bestond. Zij waren allen nochtans thuisgebleven.

17.6.10

Het feest van de geile mannen




Niemand kent de ware oorsprong, waarschijnlijk is zij zelfs pre-hellenistisch, maar elk jaar op de warmste nacht van de zomer komen onze mannen op straat: zo geil als boter. Zij verkleden zich als bokken, saters, boskabouters, trollen, paarzuchtige intellectuelen, pastinaken, enz. en doen zich te goed aan lustopwekkende dranken en vleeswaren die zij op stootkarretjes met zich mee voeren op hun tocht langs alle huizen waar meer vrouwen dan mannen wonen. Deze woeste guirlande van lustvierders schuimt soms tot drie dagen lang doorheen de dorpskern tot zij, collectief en absoluut gelijktijdig, haast alsof een onzichtbaar sein gegeven wordt, tot een kortdurend orgasme komen. Onmiddellijk daarna, alsof zij zich ineens schamen voor hun vodden (die zopas nog zo feestelijk leken), is het altijd opmerkelijk snel gedaan met het razend feest. Soms wordt er nog een sigaret gerookt, maar zodra hij de kans schoon ziet keert elkeen zijn makkers de rug toe en schiet ijlings weer naar huis. Enkelingen gaan achteraf zelfs zover dat zij het bestaan van dit feest ontkennen, alsof zij zich ervoor schamen.

16.6.10

De vrouw zonder lippen



Er was eens een vrouw zonder lippen die geen man kon vinden die door haar gezoend wilde worden. Zij vroeg aan allerlei gespecialiseerde instanties, private en gesubsidieerde, of zij geen man voor haar wisten, maar geen enkele van deze zorgverleners wist dat voor mekaar te krijgen.
Op een dag liep zij voorbij een reisbureau waar net een bruinverbrande man naar buiten kwam. Vast een geoefend reiziger, dacht zij, en, waarom ook niet, impulsief sprak zij hem aan.
„Kent u misschien een man die door mij gezoend wil worden?”
„Ja, ik heb al over u gehoord en ja, ik ken wel iemand.”
„Ik kan het haast niet geloven,” zei de vrouw zonder lippen, „U bent de eerste die zo iemand kent.”
„Ach, zo bijzonder is dat nu ook weer niet, hij leeft nogal teruggetrokken, dus zijn er niet veel mensen die hem kennen, maar ik weet het van hemzelf, hij zou dolgraag gezoend willen worden en het uiterlijk heeft niet zoveel belang.”
„Waar kan ik hem ontmoeten?”
„Dat is niet zo eenvoudig, u zal er wat voor over moeten hebben, hij woont aan de overkant van de diepste zee, onder de heetste zon, in een land met de wildste dieren en, behalve de oprit van zijn huisje, want daar is het bergaf, is de weg er heen altijd bergop.”
„Dank u wel, ik vertrek onmiddellijk,” antwoordde de vrouw zonder lippen dankbaar. Zij wilde geen tijd verliezen, je wist maar nooit, een man met een huis was en is nog steeds een buitenkans.
Per schip stak zij de diepste zee over, onderweg kocht zij een parasol om niet te veel last te hebben van de heetste zon en in haar handtas had zij bruine suiker om de wildste dieren op afstand te houden. Zij kwam er geen tegen - in zulk een klimaat blijven die beesten ook liever uit de zon - dus is het ons niet duidelijk of bruine suiker als middel wel probaat is. De laatste drieëntwintig meter waren het makkelijkst, want het was bergaf.
Popelend van verlangen (zij was zich tijdens de reis heel wat gaan inbeelden over de man die zij ging opzoeken en haar verwachtingen waren heel hoog gespannen), belde zij aan. Haast onmiddellijk ging de deur open en daar stond hij: de man zonder wangen!

(Aangezien zij allebei een goede opvoeding hadden genoten voerden zij een beleefd kennismakingsgesprek waarin wederzijdse belangstelling moest blijken, maar echt klikken deed het niet. Al zorgden zij er wel voor elkaar niet met woorden te kwetsen.)

15.6.10

De zonnebaadsters



Onversaagd vleiden zij zich in de meest concave duinpan van onze kust met de gedachte: „Wij gaan nooit meer terug.” En omdat de wind hun voetsporen in het zand al sterk had doen vervagen concludeerden zij dat de natuur hun in hun onderneming goed gezind was. Wij dorpelingen dachten er het onze van, wij hadden er al zo veel zien gaan en die waren allen altijd diezelfde avond al teruggekomen.
Maar niet zoals gewoonlijk was het deze dames ernst. Zij bleken taai en vindingrijk, geheel gericht op overleven. Zij aten hoofdzakelijk helmgras, maar als het lot hen gunstig was soms ook eens duinkonijn!
Onbetrouwbare getuigen meenden dat zij ook alcohol stookten, want op maanverlichte nachten hadden zij hen rake melodieën horen kreunen, maar meer betrouwbare verslaggevers hadden hiervoor een meer aannemelijke uitleg.
Wat zo begon als een onmogelijke bevlieging evolueerde tot een bezienswaardigheid bekend tot in Amerika en een heuse bron van inkomsten voor onze gemeente. Dat op zijn beurt maakte ons dan weer interessant voor politiek en georganiseerde misdaad.

14.6.10

Vertrouwen



Na jaren in allerlei instellingen en afzondering en goed gedrag kwam hij vrij en het eerste wat hij deed was gaan kijken of zij er nog was: de apin om wie het allemaal was begonnen. En ja hoor, zij was er nog. Zij herkende hem onmiddellijk aan de manier waarop hij naar haar zwaaide en kwam krijsend en wenend van blijdschap op hem afgerend. Even vreesde hij haar ontzettende kracht - hij was per slot van rekening oud geworden - maar dan vielen zij elkaar in de armen. Er hoefde niks meer uitgelegd. Zo was hun vertrouwen.

13.6.10

Zondagsstemming



Geheel toevallig deed het zich voor dat de hoofdboekhouder het gedicht „Zondagsstemming” afluisterde dat de voorman in vertrouwen declameerde voor de hoofdmagazijnier, waardoor hij inzag dat die een veel beter dichter was dan hijzelf.

Het overleven van de dodo's



Op een dag kreeg Charles Darwin bezoek van een delegatie dodo’s met het verzoek of hij er toch niet voor kon zorgen dat hun ware aard - en dus hun nut - bekend zou worden bij de mensen. Wat zeker hun uitsterven zou beletten. Darwin had weinig oor naar hun verhaal en de dodo’s, te trots om lang aan te dringen, waggelden terug naar hun biotoop, berustend in het lot dat hen te wachten stond. Niemand zou ooit weten wat voor dieren de dodo’s waren.

„Stomme beesten,” dachten de mensen die de dodo’s vingen en zich te goed deden aan het verse, zij het enigszins taaie vlees, „ze kunnen niet eens vliegen.”

„Konden wij maar vliegen,” mijmerden de uitstervende dodo’s dikwijls, „door ons te verspreiden zouden wij ons overleven zeker in de hand werken, en wie weet krijgen de mensen dan ook nog oog voor het nut dat wij voor hen kunnen hebben.”

Met dat soort mijmeringen, riekend naar zelfbeklag, maak je uiteraard geen indruk op de mens, integendeel, je riskeert dat die gaat denken dat je een bende wauwelende zwakkelingen bent en voor je het weet kom je op hun tv in een van die shows over nutteloze diersoorten. En daar kan je dan nòg zo proberen om de ware toedracht - en je nut dus - uiteen te zetten, dat wordt er allemaal uitgeknipt. In het ergste geval word je zelfs aanzien als een of ander wapen van een terroristische groepering die de maatschappelijke cohesie zoekt te ondermijnen en verweer je daar maar tegen.

De mensen zijn er van overtuigd dat de dodo een totaal nutteloos en dwaas dier was, met niet de minste sociale vaardigheden, laat staan dat het in staat geweest zou zijn om de nodige empathie op te brengen voor de mens en zijn specifieke noden, wat hen in staat had kunnen stellen een overlevingsstrategie uit te werken. Dat had best gekund, want tot het tegendeel is bewezen mogen wij er van uit gaan dat de dodo in staat was aan te voelen of geliefden van de wezens die hen regelmatig voedden, hun benefaktoren wel trouw waren, en wanneer dat niet het geval was, wat veel mensen vrezen, dit te signaleren door het verspreiden van een penetrante en daardoor alarmerende geur die symbool stond voor de aard van het bedrog.

12.6.10

Een aforisme van oom Floris



Je zal maar een vel besteld hebben, van een beer die niet geschoten is!

11.6.10

De straf



Om een of andere reden zei ze het luidop aan de kassa van de Aldi, terwijl hij volop bezig was hun boodschappen in het winkelkarretje te laden. Dat zij het niet meer kon harden. Hij mocht dan wel een medisch attest hebben, maar het feit dat hij begiftigd was met het zwaarste geslachtsdeel  ter wereld maakte nog niet dat dit een vrijgeleide moest zijn opdat zij zomaar eender wat moest ondergaan, en vooral dat het altijd zo lang moest duren „omdat het gewicht het op gang komen van de opwinding hinderde!”
Ieder ander man zou haar ter plekke hebben gewurgd en er mee weggekomen zijn voor een rechtbank maar hij slikte de vernedering en besloot te wachten tot zij thuis waren. Daar nam hij een leren broeksriem en troefde haar ongenadig af tot zij in zwijm viel. Omdat dit hem een te laffe manier leek om aan de straf te ontkomen, brandde hij met een sigaret nog een punt tussen haar schouderbladen.

`s Avonds bracht zij hem een kopje van zijn lievelingsthee.
„Sorry,” zei ze haast fluisterend, „dat had ik niet moeten doen.”
Zo overviel hem een gevoel van echt geluk en dankbaarheid en was alles opnieuw goed.

10.6.10

De betrokken werkgever



„En, wat denken we vandaag te doen jongen?"

Wat mij niet verbazen zou



Wanneer u, laat ons zeggen in een bus of tram, wordt bepoteld door een blinde, dan kan dat allerlei dingen betekenen. Het is dus raadzaam om voorzichtig te reageren. Blinden zijn tactiel ontwikkelde mensen voor wie aanraken en betasten, of in uw geval bepotelen, doorgaans geen argeloos gedrag is. Het is best mogelijk dat de blinde gewoon even wil voelen of de plaats vrij is. Het kan echter ook zijn dat u een geur verspreidt die voor de blinde aloude herinneringen oproept die zekere remmingen ontkoppelt waardoor hij of zij zich onbewust vrijpostiger gedraagt. Extreem ware natuurlijk dat de blinde, onder het mom van zijn handicap, bepaalde, zeker in onze tijd door de maatschappij absoluut niet gedulde neigingen botviert. Wat mij even zelfs in de verleiding brengt om te denken dat u niet met een blinde te maken hebt!
De enige manier voor u (want ik ben er per slot van rekening niet bij) om te weten wat er precies aan de hand is, is om feilloos de toon te interpreteren van wat de blinde zegt, : "Pardon". Of hopelijk iets van die strekking. Dat is niet makkelijk, maar het zou mij niet verbazen dat daar cursussen voor bestaan.

9.6.10

Verwachting



Stomverbaasd zagen wij hem naderen, stappend op een straal van licht. Van zo iemand mocht veel worden verwacht. Naderhand viel dat allemaal wel mee, of tegen zo u wil, en sommigen onder ons stellen stilaan hun hoop op de overkomst van een tweede die het beter moet gaan doen. Al leeft ook de vraag of je wel in zoiets moet geloven.

7.6.10

Mannen


"Praat voor tien, maar als het er op aan komt steekt hij altijd zijn kop in het zand!"
"Ja, die van mij ook. Precies hetzelfde. Mannen!"

6.6.10

Horchata de Chufa


Zo dikwijls als haar drukke werkzaamheden het toelaten vliegt Horchata de Chufa de heks op haar bezem over onze huisjes en biedt ons zo een inkijk op een manier van leven die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. Bij gebrek aan feitelijke kennis hierover zijn wij dit op een religieuze manier gaan beschouwen en is het leven voor ons niet meer dan een draaiend wiel in een duister firmament.

Een geheime kamer voor mama!



Dat vader het niet makkelijk had met mama, dat hadden wij, de jongens, hoe jong we ook waren, al snel door. Nooit kon hij iets goed doen en wij , mijn broer en ik, hadden dan ook erg met hem te doen telkens wij, vanuit ons bed, het gekijf moesten horen wanneer hij, god mag weten wat, in haar ogen weer iets verkeerd had gedaan.
Het was voor ons onbegrijpelijk hoe hij het volhield en waarom hij telkens wanneer het er weer tegen had gezeten met een geschenkje kwam aanzetten. Een kleinigheid voor ons en iets exclusiefs, dat bleek wel uit de verpakking, voor mama. Parfum, een juweel, een polshorloge...
„Zie je nu wel dat ik van je hou!” zei hij dan altijd. Alsof wij daar aan twijfelden!?
Veel helpen deed het echter allemaal niet. Mama bleef kijven en om een of andere reden weende zij ook steeds meer. Wij begrepen er niets van. Een vader met zo veel geduld als de onze hadden onze vriendjes niet.
Uiteindelijk was het echt niet meer om uit te houden, hun ruzies werden erger en erger. Op een keer gooide mama zelfs het flesje parfum dat hij die keer had meegebracht pats tegen zijn hoofd zodat hij er een dikke bloedneus aan over hield. Maar hij zei niets en ging gewoon naar de kelder, waar hij de laatste tijd aan iets werkte.
Diezelfde nacht kwam hij stilletjes onze kamer ingeslopen, maakte ons wakker, legde zijn wijsvinger over zijn lippen en fluisterde:
„Jongens, jullie zien het ook wel, mama is héél ongelukkig en ik heb eindelijk de oplossing gevonden: ik heb een geheime kamer gemaakt voor haar. Een kamer helemaal voor haar alleen, waar zij alleen kan zijn met haar gedachten en alleen nog maar hoeft te doen wat zij graag doet! Wat denken jullie daarvan?”
„En zullen jullie dan nooit meer ruzie meer maken,” vroeg mijn broer, op wie dat gekijf meer woog dan op mij.
„Nooit meer, dat beloof ik. Maar jullie moeten mij wel even helpen, want het moet absoluut een verrassing voor haar zijn. Ik wil haar blinddoeken en dan brengen wij haar samen naar haar geheime kamer.”
„JOEPIE!” schreeuwden wij. Ergens hadden wij altijd wel geweten dat vader alles wel zou weten op te lossen.
„Wacht hier op de overloop,” gebood hij ons, „dan ga ik mama halen.”
Het bleef een tijdje stil in de slaapkamer van papa en mama, tot er iets als een worsteling en een klap weerklonk. Toen kwam papa met mama tevoorschijn. Hij droeg haar in zijn armen want zij had een bloedneus en leek bewusteloos.
Sshhh,” zei hij hijgend, „ze slaapt nog, maar dat is niet erg, dat maakt de verrassing nog groter. Lopen jullie voorop naar de kelder en hou de deuren goed open.
Daar in de kelder zagen wij de kamer die papa had gemaakt. Er stond een bed, een bureautje en een kast met alle juwelen en andere geschenken in die hij voor haar had gekocht. Voorzichtig legde hij haar op bed.
„Kom mannen, nog even helpen,” vroeg hij en hij toonde ons een stapel bakstenen en een emmer cement. Met een troffel metste hij het deurgat waarlangs wij mama haar geheime kamer hadden ingedragen dicht.
„Zo, dank je wel. Onthou goed: voortaan is mama gelukkig. Zij heeft alles wat zij nodig heeft. Ik stel voor dat jullie de eerste weken niet in de kelder komen, zo kan zij goed uitrusten. Maar vooral, aan NIEMAND zeggen dat mama een geheime kamer heeft gekregen en dat zij nu gelukkig is. Heel wat mensen gunnen het haar niet. Wij moeten beletten dat iemand haar weer ongelukkig maakt. Dat zou wel het allerergste zijn.”
Dat begrepen wij ook wel, hij is niet voor niets onze vader.
De volgende dagen hoorden wij zo nu en dan een vaag gebons achter de kelderdeur, maar vader wist zeker dat mama aan het dansen was van geluk.

Twee weken later werden wij van school gehaald en naar opa en oma gebracht, bij wie wij nu al een tijd logeren. Zij zijn heel lief voor ons, al wenen zij wel vaak, maar zo dat zij denken dat wij het niet zien. Af en toe komt er een meneer die allerlei vragen stelt en onze tekeningen bekijkt, maar ook telkens weer over mama wil praten. Maar wij zijn natuurlijk niet gek, nooit of nooit verraden wij haar en haar geheime kamer. Nooit.

5.6.10

Een aforisme van oom Floris



Menig kiesplichtige voelt zich als een vogel voor een kat in een zak.

Darts is een sport



Het wereldrecord onvertelde grappen voor een gemengd publiek is nog steeds stevig in handen van Mejuffer Hanna Turtelboom die het bestond om, met zichtbare binnenpret, na negen dagen de door de jury opgelegde grap nog steeds niet te hebben verteld. Dit resultaat, opgeteld bij de punten die zij kreeg voor de vrije grap (een Chinese woordspeling die zij ook al in het tornooi van Havanna met goed resultaat had uitgespeeld), leverden haar de wereldtitel op.
Het niet vertellen van grappen is een van de weinige sporten waarin de vrouw de man overtreft. Kwatongen beweren dat dit de reden is waarom velen, mannen uiteraard, beweren dat het geen sport zou zijn, zoals darts dat bijvoorbeeld is.

4.6.10

Deurmat



De meest volmaakte liefde is die waarbij het koppel uiteindelijk helemaal verandert in een kleurrijke deurmat. Dat geluk is ook de M’s beschoren, bij wie de eerste symptomen van opperste zaligheid reeds kort na hun huwelijk konden worden vastgesteld (op hun zitvlak) en waarbij de metamorfose zich, tot hun eigen steile verbazing, na zowat achttien maanden volledig voltrokken heeft. De deurmat geldt in onze westerse cultuur als hèt symbool van de totale en onvoorwaardelijke onderwerping aan de ander en zij is als zinnebeeld volmaakt, aangezien eender welke vreemdeling haar met zijn besmeurde schoenen mag bevuilen zonder dat dit ten euvel wordt geduid. Integendeel, zij dient daar voor! In Vlaamse huisgezinnen wordt men als bezoeker zelfs stevig aangemoedigd er duchtig gebruik van te maken.
Wees dus zeker niet verbaasd wanneer ik u, indien u mij ooit bij mij thuis komt opzoeken om de M’s te leren kennen, met aandrang zal vragen uw voeten te vegen, liefst twee of drie keer zelfs. Er is niets waarmee u de M’s meer zou verblijden en ook voor mijn vrouw betekent het een verlichting van haar huiselijke taken.

3.6.10

Een aforisme van oom Floris



Spiegels sterken hun gebruikers in hun overtuiging dat zij wel degelijk bestaan.

Jan en Ingrid (héél vriendschappelijk)



"Jan?"
"Ja Ingrid?"
"Misschien is het beter dat we vriendschappelijk uit elkaar gaan."
"Vriendschappelijk uit elkaar? Wat bedoel je daar nu weer mee Ingrid?"
"Gewoon, dat we uit elkaar kunnen gaan, maar dan héél vriendschappelijk. Zo dat je het haast niet merkt. Zo kwetsen we elkaar niet."
"Maar Ingrid, waarom, denk eens goed na, zo is het toch eigenlijk al."

2.6.10

Wifi



Nu de nieuwe woordenkenner was ingegaan op haar uitnodiging om mee te gaan piknikken vatte zij maar meteen de koe bij de horens:
„Kan u eventueel nog een woord prijsgeven dat nog niet bestaat?”
„Ja hoor: wifi. Ik geef u op een briefje dat over honderdtwintig jaar iedereen het er over heeft.”
„Wat fascinerend! En kan u hier van leven?”

Onvolledigheidshalve



„Onvolledigheidshalve kan ik u niet zeggen om wie het gaat, noch om wat wij op geregelde ogenblikken samen hebben uitgespookt.”
„...”
„Of ik daar nog iets aan wil toevoegen? Nou, u dringt wel aan! Maar uiteraard, het spreekt vanzelf dat ik ook niet meedeel waar, in welk land, laat staan landen, al die zaken die geen keer meer nemen zich hebben afgespeeld.”
„...”
„Of u mij mag citeren?”