31.10.14

Combinatie met tegenwind

Zoals het goed staat om
in de diepte na te denken
zelfs als er geen diepte is
staat het ook goed om met
de fiets om brood te gaan
ook als daar geen brood
meer is. Je kan beide ook
goed combineren, zelfs met
tegenwind.



29.10.14

De adequate lichaamstaal



Het verwijderen van personeel
van de werkvloer vergt bijzondere vormen
van opleiding. Doorslaggevend - vandaag de
dag - is echter niet de kunst van het
argumenteren, maar veeleer
de adequate lichaamstaal.



28.10.14

Wat oefening en koelbloedigheid vergt!



Stel je voor
de verbouwereerdheid
van de man op wandel
in het park of
in het trappenhuis die
met een ultrasnelle en
accurate beweging
een hoed op zijn hoofd
geplant weet
door de onbekende die
hem kruist,
en ook meteen beseft:
dit vergt heel wat oefening
en koelbloedigheid
en verdient niets
dan bewondering
en dankbaarheid.



27.10.14

Ware literatuur



Hij belde mij met de vraag om onmiddellijk te komen.
Wat was er dan?
“Haast je, ik heb geschreven!”
“Wat heb je geschreven?”
“Ware literatuur.”
“Goed, ik kom onmiddellijk,”
maanden hadden wij niets van hem gehoord en nu dit.
Mensen stapten op en af de tram en waren zich van niets bewust.
Ja hoor, hij had ware literatuur geschreven.
Ik vroeg hoe dat zo was gekomen.
Hij had ineens inspiratie gekregen en pats, ineens stond het ook op papier.
“Is er nog iets aan te doen?”
Met een paar doorhalingen en verplaatsingen wist ik hem te helpen.
Oef!
“Was er nog wat?”
vroeg ik
“Neen."



26.10.14

Een deur verder



Waarschijnlijk zat ik wat te soezen aan mijn bureau, toen er ineens een kerel voor mij stond.
“Wie ben jij?” vroeg ik hem.
“Ik ben hier met een plan om voor de armen op te komen.”
“Dan moet je een deur verder zijn,” wees ik met mijn duim naar de linkermuur.
“O, ik dacht te hebben begrepen dat…”
“Neen. Hiernaast moet je zijn. Of is er nog wat?”
“Ja, ik zoek een baan met vast inkomen en bijhorende emolumenten.”
“Daar kan ik je ook niet mee helpen.”
“O, dan ga ik maar weer.”
Dit is nu het soort volk waar ik dagelijks mee te maken heb en het is mijn taak hen een deur verder te sturen.



24.10.14

Beterschap



Ook de dieren
hebben het over
beterschap.
Ja,
in niet meer
zo bedekte termen.




23.10.14

Hoger op!



„Bent u nu hoger op geweest?”
„Pardon?”
„Hoger op? U wilde toch hoger op?”
„Ik? Neen hoor. Dat was mijn broer.”
„Uw broer?”
„Ja, die wilde altijd al hoger op. Van kleins af aan.”
„Het was uw broer?”
„Ja. En ook wel een beetje mijn zus. Die wilde dat ook wel.”
„Maar u niet.”
„Neen. Dat hebt u echt verkeerd voor.”
„Ik dacht werkelijk dat u het ooit ook geprobeerd hebt.”
„Ja, ooit wel. Maar het bleek niets voor mij. Mijn hart zat er niet echt in.”
„Ja, dan wordt het niks natuurlijk.”
„Vandaar dus, echt hoger op ben ik nooit geweest."



20.10.14

Met cello



„Wat ziet u er voornaam uit!” zei hij spontaan.
Dat was precies wat ik ook van mezelf dacht. Ik droeg namelijk mijn cello in zijn aangepaste kist.
„Dat komt omdat ik deel uitmaak van een cello ensemble.”
„Hoe lang al?” vroeg hij.
Ik zei dat dat nu toch al een jaar of twee het geval was,” wat verklaarde dat ik er blijkbaar toch al een beetje naar liep.
„Al twee jaar! Het lijkt véél langer.”
Ik begreep wel waarom hij dat van mij dacht en gaf toe dat ik ook wel af en toe in een symfonieorkest speelde.
„O ja?!” reageerde hij verrast.
„Ja hoor,” antwoordde ik verduidelijkend.
Zo zag ik er dus ook wel een beetje naar uit, zoals hij het bekeek althans, zei hij. Toen groette hij en liep door.
Dit was alweer een ontmoeting met iemand die mij niet helemaal correct inschatte.



14.10.14

Het verrassingseffect (Bladzijde zevenentwintig)



"Denkt u dat ik ooit in een boek terecht kom?”
„Hoe kan ik dat weten?”
„Als ik er ooit in een terecht kom, dan het liefst op bladzijde zevenentwintig.”
„Op bladzijde zevenentwintig? Waarom daar?”
„Omwille van het verrassingseffect! Ik denk dat u nogal zou opkijken!”



13.10.14

Met bloemen



„En zij? Voedt zij jou ook met bloemen?”
„Ja, met van die dikke doornen eraan.”
„En slik jij die dan gewoon door?”
„Ja, dat ben ik wel gewoon geraakt in de loop der jaren.”
„Maar dat verteert toch moeilijk?”
„Ja, en ik laat er verschrikkelijk stinkende winden van.”
„En pikt zij dat?”
„Eigenlijk wel. Vreemd eigenlijk…”
„Helemaal niet. Het houdt jullie aan de gang, toch?"



Het zwijgen



"En, is alles verborgen?”
„Ja.”
„Ook de leegte?”
„Ja.”
„En de stilte, die ook?”
„Ja. Die ook.”
„Want dat zijn de moeilijkste vermoed ik.”
„Neen hoor, dat is het zwijgen.”
„Het zwijgen?”
„Ja, je kan alles verbergen, maar zwijgen, dat is het allermoeilijkste. Verstop dat maar eens."



Bladmuziek



„Iedereen daar kan bladmuziek lezen!”
„O ja, en wat dan?”
„Zo kunnen ze als vanzelf ook met z’n allen samen zingen!”
„Doen ze dat dan vaak?”
„Nee, nooit eigenlijk. Nu je het zegt."



12.10.14

Over tante Manse



„Die tante Manse van jou?”
„Ja, wat is daarmee?”
„Die begon op zekere leeftijd toch een raar geluid te maken toch?”
„Raar?”
„Ja, raar.”
„Maar ze was altijd goed van inborst hoor.”
„Ja, dat was wel zo.”
Misschien dat dat het geluid overstemde, zodat het ons zelfs niet meer opviel.”
„Dat kan. Zulke dingen komen meer voor. Uiteindelijk kende ik haar niet zo goed. Het was jouw tante.”
„Ze kon ook heel stil fluisteren. Ik heb na haar nooit nog iemand zo stil weten fluisteren.”
„Neen, maar dat compenseerde zij met een volmaakte articulatie.”



De Marsianen (een voorlopig rapport)



Het valt op hoe de Marsianen, waar zij zich onbespied wanen, onmiddellijk meer comfortabele houdingen aannemen en veel vrijer spreken:

„GlllâaaRt”
„JUJDNndubsqMtt”
„SuGrrRt”
„Hohohohoho.”

Terwijl zij zich in formele omstandigheden gedragen alsof zij helemaal niet bestaan.



De zwemmende Lorna



Daar waar Lorna inderdaad,
geheel naar afspraak, om de dag,
zo naakt als mogelijk, ging zwemmen
in de baai, deed zij dit op haar zij,
met haar rug gekeerd naar het publiek.
Afbeeldingen als deze zijn dan ook
absoluut niet te vertrouwen en,
doorgaans zelfs, veel te suggestief.



11.10.14

Een bocht van 180°



„Het begon voor u allemaal toen u Een bocht van 180° maakte, dacht ik?”
Een bocht van 180°,” stamelde Harm, kunstenaar van zijn tijd, perplex, wat de geruchten over dementie enigszins bevestigde.
„Ja Harm, wéét je dat niet meer,” viel Tilly, zijn vrouw die ook schildert of iets dergelijks, in. „Met dat volle en knoestige eikenhout! Maanden heb je daar aan gepolijst en nòg vond je dat die bocht niet representatief genoeg was om de zeden van het politiek bedrijf te parafraseren. Later is hij nog op de Grote Markt terechtgekomen en zijn er al die politici aan opgehangen, tijdens die spontane flashmob!”
„Och ja! Ik zie het weer voor me alsof het gisteren was. Ironisch hé, dat het net daaraan moest zijn,” leek Harm zich ineens toch nog iets te herinneren over het maatschappelijk nut van zijn iconisch werk.
„Wat er u toe bracht een reeks gouden galgen te vervaardigen!” wilde ik het interview weer focus geven, nadat Tilly ons koffie bracht.
„O die!” herinnerde zij zich meteen, „Die hebben wij toen meteen kunnen verkopen aan een of ander dictatoriaal regime waar het leger iets in kunst meende te zien.”
„Ja, wat zou daar toch van geworden zijn,” vroeg Harm zich luidop af, „Nooit meer wat van gehoord.”
„Die mensen hebben anders wel keurig betaald hoor,” wist Tilly nog.
„Ja, terwijl ik voor Een bocht van 180° eigenlijk nooit een cent zag,” preciseerde Harm, toch wel meer bij de pinken dan eerder leek „iets met de reglementen voor subsidies werd steeds maar gezegd."



Toch wel gelijk een paard



„Kijk, ik kom er aangegallopeerd, bijna gelijk een paard.”
„Gelijk een paard?”
„Ja. Het zijn toch paarden die galopperen?”
„Jazeker.”
„Gelijk een paard dus.”
„Waarom geen zebra?”
„Een zebra? Hoezo?”
„Dat is ook een paardachtig wezen toch, en het galoppeert ook. Een beetje zoal jij.”
„Gelijk een zebra?”
„Ja. Maar ook als een paard hoor.”
„Ik hou het toch maar bij een paard hoor. Zo ben ik opgevoed.”
„Daar heb je een punt. En je galoppeert ook gelijk een paard hoor. In bredere zin.”
„Ja, dat moet je wel toegeven hé!"



10.10.14

In antwoordende zin! (12)



.../...

Eigenlijk geloof ik niet dat mensen die eerst vreemden voor elkaar waren en die elkaar goed, zelfs heel goed, leren kennen, maar die daarna om een of andere reden weer van elkaar vervreemden, ooit vreemder voor elkaar worden dan zij aanvankelijk voor elkaar waren, voor zij elkaar kenden dus. Tenzij je dat anders wil begrijpen natuurlijk. Maar dat is niet hetzelfde. Het lijkt mij in sommige gevallen wel denkbaar dat een gabonadder een koe aanvalt, als prooi, een niet al te grote weliswaar. Een zwartwaterrivier is een rivier met een diepe, langzaam bewegende watermassa, die stroomt door bebost moeras of drasland. Wanneer plantenresten ontbinden in het water sijpelen er looistoffen uit, resulterend in doorzichtig zuur water dat donker getint is, gelijkend op thee of koffie. Ik denk dat we Wikipedia op dit punt wel mogen geloven. Ja, eigenlijk is het toch wel jammer dat ik zo weinig van plantkunde weet. Ik weet zeker dat mijn leven er totaal anders had uitgezien als ik meer had geweten over bijvoorbeeld boleten. Of indien ik had onthouden hoe dat weer zit met het herderstasje. Natuurlijk ook als ik gewoon maar wat moediger zou zijn. "Architectuur is bevroren muziek…” wat een mooie uitdrukking vind ik dat. Wat niet wegneemt dat we sommige dingen gerust uit de diepvries mogen worden gehaald. Houdbaarheid is een relatief begrip. „De goeie ouwe tijd”, is een uitdrukking of 'kreet' die mensen slaken bij momenten van verstandsverbijstering, of, hoe dan ook, wanneer ze dingen alleen maar bekijken door hun eigen gekleurde brilletje. Weeral weet ik niet waarover ik spreek, maar ik denk dat het feit dat sommige diersoorten konden worden gedomesticeerd, en andere helemaal niet, ook weer iets is dat op basis van Darwinistische theorieën uitgelegd kan worden. Voor mij, net zoals voor de meesten, volstaat dit om te denken dat ik het begrijp. In welke theorie dàt past is mij veel minder duidelijk. Eerlijk gezegd, ik vind dat diegene die voor het eerst op het idee kwam om oesters te eten, ik stel mij voor dat dat een vrouw was, of breien of weven met wol uitvond, minstens even belangrijk in de geschiedenis van de mensheid is dan wie tegenwoordig iets presteert op het terrein van de nanotechnologie.



.../...

8.10.14

Alweer een hele vooruitgang



"Dat het een hele vooruitgang is, die opblaaspoppen die zelf het initiatief nemen,” vond hij.
Of hij zeker was dat het nog wel opblaaspoppen mocht heten, vroeg ik hem, gezien je ze niet meer zelf mocht opblazen, maar dat je dat moest doen met een bijgeleverd gas. Dat stemde hem wel even tot nadenken,
„Maar," zo besloot hij, „geef toch toe dat het een hele vooruitgang is.”
„Eigenlijk wel,” antwoordde ik dan maar, om er van af te zijn.



6.10.14

Verraderlijke voorwerpen



Omdat je het met apen nooit weet benaderde ik hen heel behoedzaam, achterwaarts lopende tot zij binnen gehoorsafstand waren. Zij hadden het over de vormen van geluk, vloeibaar of gasvormig? Ik hoef niet te zeggen dat dit mij zeer verraste.
Ik was zonder vooroordelen of verwachtingen naar hen op zoek gegaan en had eigenlijk, dit lijkt natuurlijk wat in tegenspraak met wat ik net zei, geheel andere onderwerpen verwacht - iemand opperde ooit iets over ijzererts of de afwezigheid daarvan in hun gedachtengoed - maar een coherent gesprek waarbij de ene de andere uitspreken liet over de vloei- of gasvormigheid van geluk en hoe je het dus optimaal kan bewaren, daar was ik mentaal helemaal niet op voorbereid. Ik had hen duidelijk onderschat en een grote mate van vooringenomenheid kan mij dus wel verweten worden. Ook de apen maken ten slotte deel uit van de algehele kringloop van het leven.
Jammer ook dat ik hun taal maar één uur machtig was, of ik had veel meer kunnen leren over de aard van deze dingen. Maar goed, ook daar is niets aan te doen.
Dwazer is nog dat ik het gesprek niet heb opgenomen, wat het moeilijker, zo niet onmogelijk, maakt de precieze loop van hun betoog weer samen te stellen en het dwingt mij te putten uit mijn herinneringen. En herinneringen zijn verraderlijke voorwerpen, dat weet iedereen. Vooral die waar men waarde meent aan te moeten hechten.



In antwoordende zin! (11)


.../...

Voddenmannen? Die heb je toch niet meer? Voddenventen ja, zo ken ik er veel!!!! Elektronische bouwpakketten vind je nog heel veel. Je kan eigenlijk heel veel zelf bouwen. En niet alleen elektronisch, ook tuinhuizen, auto’s, muziekinstrumenten, enz. kan je, als je dat wil, als bouwpakket kopen en zelf in elkaar steken. Je mag jezelf natuurlijk niet overschatten. Een lichaam opvangen, in of naast het koren (of totaal ergens anders), lijkt mij op het eerste zicht een positieve, misschien zelfs wel heel leuke activiteit. Ik kan het niet precies uitleggen (omdat ik er geen bal van begrijp) maar het feit dat chlorofyl groen is en niet rood heeft wel degelijk een reden. Het is zeker geen Darwiniaans „toeval”. Tenzij ik het echt helemaal niet begrijp natuurlijk. Ik kan er mij zeker iets bij voorstellen wanneer men het geluid van het gitaarspel van deze of gene gitaargod „metalig”, „aards”, „droog”, „zuinig”, of zelfs "tragisch" noemt, maar het geluid van Clapton in Cream „tubulair” noemen vind ik niet helemaal „precies”. Al gaat het wel die kant op. Hangt ook wat af van de kwaliteit van uw luidsprekers en waar die staan. Het verrast mij echt niet te leren dat vliegers en vliegeren door de eeuwen heen ook altijd militaire toepassingen hebben gekend, al komt dat tegenwoordig natuurlijk veel minder of niet meer voor. Ja, daar moet wel geld uit te kloppen zijn, ooit: door via genetic engineering een eeuwiglevend poesje te ontwikkelen. Dat moet natuurlijk gevoed worden met een gepatenteerde nieuwe soort voeding dan dan enorm duur verkocht kan worden! Ik ben helemaal niet bang voor de dag dat ik er zal uitzien als een oud wijf. Ik heb me daar eigenlijk al lang mee verzoend. Dat zou iedereen moeten doen, toch? Doe mij maar één zak van 25 kilo in plaats van vijfentwintig zakken van 1 kilo. In principe houd ik de dingen graag eenvoudig ziet u. Ach wat, het heelal zal er altijd zijn, heel en al. Het hangt er maar van af wat je daarmee bedoelt.



.../...

5.10.14

De scherpschutter



Ik kreeg eens op het onverwachts bezoek van een scherpschutter. Onder zijn dwingende blik liet ik hem zonder veel pruttelen binnen.
„Ik ben een scherpschutter,” zei hij.
„Ja,” antwoordde ik.
„Ik schiet scherp,” preciseerde hij alsof ik anders niet zou begrijpen dat hij ‚met scherp’ bedoelde.
Zonder niet eerst zijn voeten te vegen kwam hij binnen en hij hing ook eigenhandig zijn jas aan de kapstok.
„Het regent oude wijven,” lichtte hij toe.
Zijn holsterriem met zijn pistolen hield hij aan.
„Gaat u zitten,” bood ik hem mijn persoonlijke fauteuil aan.
„Thee of koffie?”
Hij verkoos thee en ik lepelde wat granenkoffie in mijn mok.
„Ja, ik ben een scherpschutter,” herhaalde hij.
„Ja, u ziet er ook echt zo uit,” knikte ik, wijzend naar zijn pistolen.
„Ja, al moet ik zeggen,” zei de scherpschutter, „het is niet dat iedereen, het zijn er eigenlijk bijzonder weinig, die een pistool draagt of zich als scherpschutter introduceert, dat ook werkelijk is.”
„O? Zo diep heb ik daar eigenlijk nooit over nagedacht,” gaf ik toe. En het is natuurlijk nog steeds zo dat ik zelden mensen met een pistool ontmoet.
„Maar ik zal het je bewijzen!” En voor ik het goed en wel besefte had hij de kleine wijzer van de pendule weggeschoten en voor ik van mijn verbouwereerdheid daarvan was bekomen schoot hij ook nog het petje van mijn hoofd.
„Foei, mensen ontvangen zonder je pet af te nemen,” verklaarde hij met een knipoog, onderwijl de rook die uit de loop van zijn pistool kringelde wegblazend.
„En waarmee…”
„Ik moet er weer vandoor,” zei hij, alweer de kamer uitbenende, „Ik ben gevraagd om ook nog ergens anders scherp te gaan schieten.
„Zo ineens?” stamelde ik, uit mijn lood geslagen.
„Ja, je bent een fidele kerel, maar ik moet ook nog eerst kogels kopen. Daar kan ik niet buiten. Het is beroepsmatig.”
„En daarna ga je alweer op een ander met scherp schieten?”
„Had ik dat dan al gezegd?”
„Toen u de kamer uitliep."
"O ja? Tja, van geheugen was ik nooit echt scherp."




4.10.14

De rol van Alphonsina



"Ik doe eigenlijk niet mee in het verhaal van de kurkentrekker, ik heb Agnes, Charlotte en Alexia pas veel later leren kennen," gaf Alphonsina eerlijk toe, "Maar ze hebben het er nog vaak over, de mallerdjes!"



De G-trilling



"Het overkomt ons nog wel dat we onze kurkentrekker niet vinden," suste Charlotte terwijl zij zachtjes een G deed trillen, dit geheel onbedoeld want zij weet geen reet van harp spelen, "Maar toen met Agnes, dat was wel erg maf.



Het relaas van Alexia



"ZOOO GROOOOOT was die kurkentrekker, en we hebben er met zijn vieren over gekeken!" deed Alexia later het relaas van hoe we dank zij Agnes met het kanon onze kurkentrekker terugvonden.







Agnes met het kanon



Als door God geroepen kwam geheel toevallig Agnes met het kanon voorbijgelopen, en die wist waar de kurkentrekker lag. Met een beweging van haar kin wees ze de plek.







3.10.14

Over een beer en een romanschrijver



Er kwam een keer een beer uit het kreupelhout die zich aan mij voorstelde als een meerwaardezoeker. Zeer gevleid vroeg ik wat ik voor hem kon betekenen. Hij wilde alleen maar weten welke boeken, tijdschriften en films ik hem kon aanraden om zich te vervolmaken, en zijn verblijf in dit leven zo zinvol mogelijk te maken. Daar wist ik uiteraard raad mee.
Toen wilde hij weten hoe hij zich best kon bekwamen in het schrijven van een roman. Een roman over beren, preciseerde hij, toen ik uitlegde dat er heel wat soorten van romans zijn. Maar gezien een dergelijke onderneming toch een zeker metier veronderstelt (en ik een van de weinige mensen ben die nog geen roman heeft geschreven) heb ik hem doorverwezen naar een romanschrijver. Zo heb ik er een aantal in mijn vriendenkring.



2.10.14

Goed opgevoeden



„Heb je iedereen begroet? Al de hand geschud bedoel ik?”
„Neen, nog niet.”
„Doe je dat niet?”
„Jawel. Tegen het einde van de avond.”
„O! Ik dacht al.”
„Wat?”
„Ik dacht dat je slecht opgevoed was.”
„Ik ben heel goed opgevoed.”
„Sorry, het is maar dat ik er niet zo veel meer ken.”
„Niet zoveel wat ken?”
„Goed opgevoeden."



1.10.14

"De dingen"



Sommige mannen zullen nooit tot rust komen en
dat is geheel en al te wijten aan de manier waarop
zij "de dingen" steeds weer aanpakken.



Golden retriever



„Luister! Dieren!!! Zij spreken!!!!!”
„Nou en?”
„Zij hebben het over de Golden Retriever.”
„Het magisch huisdeur met zijn nobel karakter?”
„Nee, dat niet.”
„Hoezo? Dat niet?”
„Omdat hij niet echt golden is.”
„Ja, maar dat is maar een epitheton natuurlijk.”
„En retrieven doet hij ook niet bijster veel.”
„Neen, maar dat kan hij altijd nog leren.”
"Ik hoop dat hij het ooit zal kunnen.”
„En de dieren?”
„Wat is er met de dieren?”
„Hoe zien zij de Golden Retriever?”
„Dat heb ik niet verstaan."