29.6.13

Tweede gesprek met een ruimtewezen

Ik lag languit in het gras en probeerde mij mijn gesprek met het ruimtewezen te herinneren. Maar ik kon er mij absoluut niets meer van voor de geest halen. Geen flard. Was het dan zo triviaal geweest? Voor een keer dat mij iets interessants overkomt!
Toen voelde ik ineens een schaduw over mijn gezicht glijden. Ik opende mijn ogen en ik zweer het bij god, daar stond alweer een ruimtewezen.
"Wat wil je?" vroeg ik.
"Ik wil weten waar je het met die ander over had," kraakte het zoals ook het vorige had gekraakt.
"Ach, wat small talk over het leven. Je leeft maar één keer en zo."
"Small talk dus," herhaalde het, "dat jullie hier maar één keer leven."
"Ja, ik kan er mij trouwens niet veel meer van herinneren."
Daarmee leek het gerustgesteld en net als een schaduw verdween het ook weer ineens, precies zoals het eerste trouwens.


_____

28.6.13

Met een nieuwe insteek

"Ja, met een nieuwe insteek komt het wel weer in orde," suste hij meermaals, " maak je niet ongerust. Je weet dat het al meerdere keren gelukt is op die manier."
Dit herhaalde hij verschillende keren, terwijl hij ondertussen gewoon wachtte op de nieuwe insteek. En hij had gelijk natuurlijk. Met een nieuwe insteek kwam het weer in orde. Dat is achteraf gebleken. Zoals altijd.


_____

27.6.13

Achting voor dichters



Ik mocht eens mee met een rasechte dichter. Die zou mij tonen hoe dichters aan hun gedichten komen!
"Gedichten staan op de rug van vissen," lichtte hij toe, toen wij eindelijk bij een snelstromend riviertje aanbeland waren, en hij wees naar een plek in het water, bijna vlak voor mijn voeten. Tot mijn grote verstomming, het was dan ook haast onwezenlijk, bevond zich daar, dicht tegen de bodem, een vis, een regenboogkleurig soort baars denk ik, met op zijn flanken tekst zowaar. Niet erg veel, meer dan een haiku kan het niet geweest zijn, en hij zat ook te diep voor mij om het goed te kunnen lezen. Toen ik mij voorzichtigjes vooroverboog om het beter te kunnen zien schoot hij ineens weg.
De waarheid dat men voor sommige gedichten moeite moet doen begreep ik nu ineens veel beter!
"Geloof je mij nu?"
Ik kon het toen natuurlijk niet langer ontkennen of als een fabeltje afdoen. Ik ben er ook meer op gaan letten sedertdien en ik moet zeggen, hoe weinig aanleg ik ook heb, zo af en toe denk ik toch wel een vis met een gedicht er op te hebben ontwaard. Al ben ik er nooit in geslaagd die te ontcijferen, laat staan te noteren.
Mijn achting voor dichters is sedertdien uiteraard enorm toegenomen: het zijn geduldige mensen met een haarscherp zicht!


_____

26.6.13

Clearen

Een beetje beduusd kwam ik uit de lift waar al enkele geheime agenten stonden, met een microfoontje in hun oor.
"Wat is er?" vroeg ik werktuiglijk.
"Wij moeten op het dak zijn. Er is daar een vreemd wezen uit de ruimte opgemerkt," sprak er een zijn mond voorbij. Het was dan voor de aarde ook een ongekend historisch moment.
"Een vreemd wezen uit de ruimte? Vreemd, ik kom zelf net van het dak."
"En?"
"Er is mij niks opgevallen, ook op het plat achteraan niet."
"We moeten het hoe dan ook checken en 'clearen', zei de ander.
Wat een prachtig woord, dat 'clearen'", vond ik, maar ik had geen tijd om de rest af te wachten. Mijn tijd was beperkt en mijn opdracht niet echt eenvoudig.


_____

25.6.13

Waarom ik mijn roeping in vraag stel

Het was toen er een vrouw met een ventiel op haar rug binnenkwam.
"Hoe kom jij aan zo'n ventiel?" vroeg ik onbeschaamd, misschien omdat ik onbewust het gevaar al voelde.
Zij lachte op een toon die op klaroengeschal leek, als u weet hoe dat klinkt natuurlijk.
"Dat is er vannacht helemaal buiten mijn medeweten opgevezen," verklaarde zij, "en op mijn nachtkastje lag een briefje met de uitleg dat ik voortaan de roeping had om de dorstigen te laven met blond of met bruin bier."
Het was meteen duidelijk waarvoor zij gekomen was.
"Maar dat is mijn roeping eveneens!" liet ik mij onthutst ontvallen.
"Ja, maar ik beschik over een precies geëigend ventiel, jouw methode lijkt mij een heel stuk vunziger!"
Daar had ik niet van terug. (Ik bespaar u de details over mijn methode).
Ineens ging zij er vandoor. Ik riep haar nog een vraag na, maar die hoorde zij niet meer.
Betekent dit dat ik voortaan een andere roeping moet nastreven, of is er op dit terrein toch nog ruimte voor ons beiden?


_____

24.6.13

22.6.13

De roofvogel



Er was eens een man die men "de roofvogel" noemde. Dat kwam eenvoudig omdat hij zich eens in zijn jonge en onbezonnen jaren in een roofvogel had veranderd. Compleet met een grote kromme snavel, klauwen met een achteruitslaande teen, een superscherp gezichtsvermogen èn de gave om urenlang, gebruik makende van de thermiek, heel hoog, hij was nog nauwelijks een stipje, boven en tussen de bergen te zweven, op zoek naar een prooi. Die had hij dan boven op het dak van het schuurtje opgevreten. Het ging om een haas of een konijn. Zelfs geen beschermd dier.
Hij heeft deze metamorfose maar één keer uitgevoerd omdat hij niet wilde dat men in het dorp zou gaan denken dat hij zich boven hen verheven voelde of zich anders voordeed dan hij was. Verder viel hij niet op met zijn gemiddelde verstand en zijn doorsnee lichaamsbouw. Maar de bijnaam "roofvogel" is op een of andere manier blijven plakken. Vandaar.


_____

21.6.13

Tal

Her en der
vliegen tal van vogels,
maar dat lijkt
niemand te hinderen.


_____

20.6.13

Meester van de situatie!



"Blijft meester van de situatie!" adviseerde hij te pas en te onpas. Waarom is ons altijd een raadsel gebleven, want wij waren al lang nergens meer meester van, zeker niet van de situatie.
Hij leek bovendien zelf ook niet zo erg "meester". Daarvoor adviseerde hij namelijk altijd iets te nadrukkelijk, en doorgaans meer te onpas dan te pas. Daarom dat we hem ook gingen mijden.
En als het niet "Blijft meester!" was, dan klonk het "Vaste greep!" of "Controle!!!"
In verband met dingen waarop wij de greep al lang niet meer controleerden dan nog. Maar misschien zag hij daarin nu net de nood om te blijven adviseren.
Nood, vraagt u. Ja, daar ga ik van uit. Het was de enige manier om hem te begrijpen. Ik had namelijk vaker te doen met hem dan de meesten, en op die manier zoek je vanzelf een basis van verstandhouding denk ik. Al mocht hij voor mijn part zijn adviezen ook houden uiteraard.
Ik had wat meer begrip moeten opbrengen voor zijn argumenten, zegt u nu. Waarom? Hij was pedant, dook op de meest onverwachte plaatsen op en rook altijd overdreven goed gewassen. Bovendien viel mij op dat hij enorm lang met zijn linkerarm aan richels kon hangen.
Maar meer verklap ik niet over hem hoor. Als ik het zo bekijk ben ik hier toch meester van de situatie.


_____

19.6.13

Extreem denken

Ik liep eens op argeloze wijze een doodlopende straat in, waar van uit een paar burgerhuizen gezellig licht naar buiten scheen. Uit een daarvan kwam ineens een groepje mannen naar buiten gesneld, die mij als een lang verwachtte gast bejegenden en onmiddellijk op mij in begonnen te praten. Ik vermoed dat dit (voor hen) het vervolg was op een eerder gesprek.
"Ik moest extremer denken!" was de boodschap.
Dat is mij, nu deze gebeurtenis al wat in het verleden ligt, veel gemakkelijker afgegaan dan ik aanvankelijk dacht, want uiteraard speelde mijn geweten in het begin behoorlijk op. Maar het bleek eenvoudig om dat van mij af te zetten en zodoende ben ik extreem vlotjes extreem beginnen denken. Tot op de dag van vandaag!
Mijn omgeving was er ook snel mee weg, waardoor ik gaandeweg nòg extremer kon gaan denken, wat betekent dat ik nu zo extréém kan denken dat ik uit luttele flarden informatie, of wat daarvoor passeert, in staat ben de meest extreem fundamentele besluiten te trekken. Besluiten die hoogst zelden worden tegengesproken. Dat vergt een andere vorm van extremiteit natuurlijk.
U begrijpt het dus natuurlijk, voorlopig blijf ik extreem denken hoor!


_____

18.6.13

De ziekte



Zijn ziekte, die trouwens heel lang verborgen is gebleven, bestond er in dat hij elke avond, haast dwangmatig, in zijn dagboek noteerde wat hij de volgende dag moest beleven. Op die manier regelde hij voor zich een leven met vele stijlen, bijvoeglijke naamwoorden, bijzinnen, wat neven- en onderschikking, verdeeld over heel wat genres en subgenres.
Gaandeweg, in de loop der jaren bemerkte men wel een verschraling en een vereenvoudiging in het hoe en wat van de dingen die hij schreef. Tot men uiteindelijk rechtuit sprak van "een totale verschuiving naar summiere richtlijnen of voornemens in steeds kortere paragrafen."
Achteraf, bij het doorlezen van zijn notitieboekjes is nooit iets teruggevonden dat ook maar van verre leek op een duidelijk verhaal.
Een bevriend medicus vertrouwde mij toe dat deze ziekte helemaal niet zo zeldzaam is.


_____

17.6.13

"Carbonnades à la Flamande"



Ontzet staarde Jan in zijn bord "Carbonnades à la Flamande" omdat hij meende er de toestand van ons land over één week in te ontwaren. Verontrust door de culinaire kundigheid van de kok stuurde hij daarom zijn bord meteen weer mee met de kelner.
Zijn vrouw, Ingrid, die hetzelfde had besteld daarentegen, zag niks en begon alvast met smaak te eten.
"Ik laat het niet koud worden," zei ze op de vergoelijkende toon van de egoïst.
Toen even later Jan in een ander aangevoerd bord "Carbonnades à la Flamande" kon kijken, net voor hij een enorme hap in zijn mond wilde schuiven, was hij zeker dat hij in zijn bord nu de toestand van ons land over één maand uitgeschept zag.
"Nondedju…" zei hij luider dan de bedoeling was, "waddismedadier." En opnieuw stuurde hij de kelner met het gerecht terug.
"Het is nochtans héél lekker," smekte Ingrid, die het inderdaad helemaal niet koud liet worden.
In zijn derde bord wist Jan heel zeker de situatie van ons land over één jaar te ontwaren en ook daar had hij geen trek in.
Op dat moment vroeg Ingrid alvast de dessertkaart.
In zijn vierde bord "Carbonnades à la Flamande" Jan de toestand van ons land over één eeuw en ook daarvan, ondertussen scheel van de honger, kreeg hij geen hap naar binnen.
Maar dat er echt iets aan het gerecht scheelde bleek pas veel later op de dag, toen zijn vrouw plots de slaapkamer uitrende met haar eerste aandrang van acute diarree.
Naar aanleiding van deze bizarre ervaringen met "Carbonnades à la Flamande" verloren zowel Jan als Ingrid al hun vertrouwen in dat nochtans door vele vrienden aangeprezen bistrootje "met eten van bij ons" en "Carbonnades à la Flamande" heeft geen van beiden ooit nog gegeten.


_____

16.6.13

De filosoof en zijn bewonderaarster



"Wat doe je nu?"
"Ik ben filosoof!"
"Filosoof? Zo ineens?"
"Ja, kijk! Elke bubbel is een diepzinnige gedachte!"
"Daar snap ik niks van hoor, wat ben jij slim."


_____

De verklaring van de bugelspeler



"Van waar ik stond zag ik hoe zij die man in een sneeuwbui zag veranderen, en daarna, wat aarzelend eerst denk ik, is zij ook beginnen dwarrelen. Wat er daarna gebeurde is moeilijk te beschrijven, ook al omdat ik hen, van waar ik stond, niet meer uit elkaar kon houden."
Bovenstaande is letterlijk wat de bugelspeler heeft gezegd, al neem ik aan dat wij, met ons eerder prozaïsch waarnemingsvermogen, moeite hebben om dit zomaar te geloven. Feit is wel dat de man en vrouw in kwestie daarna nooit meer apart zijn waargenomen!


_____

15.6.13

Ik was ooit klimatoloog



Mij werd eens een vrouw gesignaleerd die een woestijn in zich zou dragen. Als klimatoloog wekte dat uiteraard onmiddellijk mijn interesse. Ik had al wel gehoord van zulke fenomenen, maar het nog niet in de praktijk meegemaakt. Dus liet ik haar ontbieden en begon mijn onderzoek, maar niet nadat ik haar eerst aan een vochtinbrengend infuus had gelegd.
"Een woestijn in godsnaam, Een vrouw hoort toch vruchtbaar te zijn, en toegankelijk. Zelfs gul in zekere zin, met haar vruchten!"
Na eerst goed rondgekeken te hebben en uitgemaakt met welke middelen ik haar eventueel behandelen kon zei zij ineens:
"Ik ben niet de enige vrouw met een woestijn in zich. Sommigen van ons bergen ook heel andere streken. Maar doorgaans komt er niemand in."
Ik legde haar het belang uit van mijn onderzoek en eventuele behandeling.
"Onderzoek? Behandeling?" lachte zij droog, "Ik begrijp heel goed wat je bedoelt, maar dat soort wetenschap interesseert mij niet. Ook jij komt er niet in."
"Is het dan echt niet mogelijk…"
Maar verder sprak zij geen woord meer.
Op basis van wat zij mij had gezegd begreep ik ineens dat mijn leven op een dood spoor zat. Dat ik nooit wat had gezien, laat staan begrepen. Dat vrouwen met een woestijn in zich onoverkomelijk zijn bijvoorbeeld, zelfs al geloof je als man nog zo in oasen. Als zij besluiten dat je er niet in komt, dan kom je er niet in.
Ik verontschuldigde mij en staakte mijn klimatologisch onderzoek eveneens terstond. Ik wist dat ik nooit tot iets algeheel zou komen.
Het enige wat mij sindsdien nog interesseert is dat ik zo goed mogelijk de bodem waarop ik loop wil leren kennen. Kwestie van te begrijpen waarop ik mij bevind.


_____

14.6.13

Hoe het precies ging



"… en toen?" drong de officier aan, omdat wij uit onszelf niet echt op dreef kwamen.
"Toen bereikten wij dat… dat… dat orgaan!
"Dat orgaan!?"
"Ja."
"En wat was er met dat orgaan, kerel, schiet toch eens op met je verhaal," keek hij ongeduldig op zijn uurwerk.
"Tja… er hing een vreemde, ongekende geur omheen…"
"Ja…?"
"Een geur die ons als het ware uitnodigde, of nee, ons aanzette, eigenlijk dwong, om het te zoenen."
"Zoenen?!"
"Ja."
"Dat orgaan zoenen???"
"Ja."
"…"
"…"
"En jullie hebben toen …?"
"Ja."
"Het gezoend!"
"Ja."
"Ja?!"
"Ja."
"En wat…"
"We hebben het hartstochtelijk gezoend," zuchtte ik, niet wetende of ik mij nu moest schamen of niet.
"Was het zo sterk?"
"Onontkoombaar."
"…"
"…"
"En verder?"
"Het zoende ons even hartstochtelijk terug."
"Wàt?!"
"Ja."
"En daarna? Wat is er daarna gebeurd?" vroeg de officier met overslaande stem.
"Toen kreeg ik ineens een SMS van mijn vrouw!"
"Op dàt moment!"
"Ja, voor dat soort dingen lijkt zij over een zesde zintuig te beschikken commandant."
"Goed. En toen?"
"Niets meer. Het orgaan sloot zich en de geuren verdwenen."
"En zo is het dus gegaan?"
"Ja, precies zo."


_____

Afkoelen is de boodschap!



"Men zegt dat ik er toe doe!"
"Hoe komen ze daarbij?"
"Omdat ik heel actief blijk."
"Alsof dat een criterium is!"
"En dat maakt wel indruk!!"
"Indruk?"
"Ja, dat zeggen ze er altijd expliciet bij."
"U doet er toe omdat u indruk maakt, dat is me wat!"
"Ja, ik begrijp het ook niet goed. Wat nu?"
"Afkoelen."
"Helpt dat?"
"Er zit niets anders op."
"Hebt u dan nog mensen als ik in behandeling?"
"Dat mag ik natuurlijk niet zeggen."
"En als ik afkoel, wat dan?"
"Verandering van dieet en temper vooral het vormen van meningen."
"Ik dacht dat er niets aan te doen zou zijn."
"Afkoelen is de boodschap."
"U stelt mij wel gerust."
"Zeker, u wordt snel weer zoals iedereen."


_____

13.6.13

Het geheim van de linksliggende vrouw



Om daar achter te komen moest je dus accepteren dat je rechts van haar hoorde te liggen en er voor waken dat je niet in slaap viel, want zij murmelde haar geheim op de meest onverwachte momenten, zo was mij verteld.
Natuurlijk sukkelde ik na een paar uur toch in slaap vanwege haar zachte, heel regelmatige ademhaling en bijna onzichtbaar meewiegende boezem.
Tot ik ineens wakker schoot en haar nog net zachtjes fluisteren hoorde:
"… maar ik heb niet graag dat je dit aan iemand verteld!"


_____

12.6.13

Bij de neus



Er was eens een man die zichzelf bij de neus nam, om te vermijden dat anderen het weer zouden doen.
Zichzelf bij de neus nemend ging hij op stap en keek naar de dingen zoals alle mannen die zichzelf bij de neus nemen plegen te doen.
Mannen die zichzelf bij de neus nemen zijn doorgaans van één ding overtuigd: dat zij zich beslist niet bij de neus laten nemen!
En als zij iemand een welgemeend advies kunnen geven, dan is het steevast: zorg er voor dat men je niet bij de neus neemt! Tenzij je het zelf doet natuurlijk.


_____

11.6.13

Het nog niet ontdekte continent



Er was eens een man die vermoedde dat er in hem een nog niet ontdekt continent ronddreef. Hoe meer dat hij daarover nadacht, hoe meer aanwijzingen hem daartoe evident leken: de vreemde gedachten die zo vaak bij hem opkwamen. Het feit dat hij zo graag met zijn mond open tegen de wind in liep. Zijn talent om met een passer de afstand van de sterren te meten. Zijn indruk dat hij warme gerechten meende te ruiken nog voor ze zijn gekookt.
Hij had het er voorzichtig over met iemand.
"Een nog niet ontdekt continent, in jou? Waar haal je het? Alle continenten zijn immers al lang ontdekt en in kaart gebracht!"
"Maar er wordt nog àlle dagen zoveel bij ontdekt!" hield onze man vol, "Waarom dan geen continent in mezelf. Als ik vreemde gedachten blijf krijgen, graag met mijn mond open tegen de wind in blijf lopen, zomaar op basis van aangeboren talent met een passer de afstand tussen sterren kan meten, en op voorhand warme gerechten blijf ruiken, dan moet ik mij daar misschien volledig op verlaten en vind ik het misschien op die manier." (Dat laatste prevelde hij veeleer in zichzelf.)
Na deze alweer enigszins vreemde gedachte dommelde hij in. Hij droomde dat hij een geheel nieuw continent ontdekte waar hij de gedachten, de loopgewoonten, het uitspansel, en de geuren van de gerechten op een of andere manier al bleek te kennen.
Dat continent beviel hem dermate dat hij er nooit meer is weggegaan.


_____

10.6.13

Ventje



Er was eens een man die Ventje heette. En Ventje ging eens op stap naar het park. Onderweg werd hij gewaar dat hij ineens wel tien jaar van zijn leven had verloren. Onmiddellijk keerde hij op zijn stappen terug in de hoop die terug te vinden. Maar op zijn terugweg verloor hij nog eens vìjftìen jaar.
Hij voelde wel aan dat er meer aan de hand was dan verstrooidheid en hij besloot om ook in alle zijstraten te gaan zoeken. (Ofschoon hij daar niet was geweest natuurlijk!)
"Als ik niet uitkijk verlies ik nog al mijn jaren," zo begon hij zichzelf bang te maken.
In een doodlopende steeg, na uren te hebben gezocht en navraag te hebben gedaan en nòg meer jaren te hebben verloren, zakte hij uiteindelijk door zijn benen boven een oud keldergat. Er bleef niet veel meer van hem over dan een schreiende baby.
Gelukkig werd hij daar precies op tijd gevonden door een kinderloos gebleven prinses die in het huis van dat keldergat het hoepelen kwam oefenen. Zij nam hem mee naar haar paleis waar zij hem met fijne maniertjes opvoedde en een leven gaf waar hij vroeger als Ventje zo vaak van gedroomd had.


_____

8.6.13

Haarfijn



"Het leven is haarfijn."
"Dolfijn bedoel je zeker?"
"Neen."
"Gewoon fijn dus."
"Nee, dàt zeker niet!"


_____

7.6.13

Jan (met de twee hoofden)

Jan was een man met twee hoofden.
Dat is helemaal niet zo bijzonder, want twee hoofden is veel handiger dan één. We hebben ook altijd twee handen, twee benen, twee oren, twee wangen, enz… die altijd goed samenwerken.
Wel bijzonder was dat die twee hoofden elkaar niet in het aangezicht keken en van jongs af, toen er nog enige soepelheid in hun halzen en nekken zat, daartoe ook geen enkele poging ondernamen. Dat was te wijten aan het feit dat zij het doorgaans grondig oneens waren over niet zo fundamentele zaken. Zo waren zij het doorgaans eens over het feit dat zij honger hadden, maar nooit over wat ze zouden eten.
De twee hoofden pasten in feite geheel niet bij elkaar, en vermits zij elkaar nooit recht in de ogen keken groeide er met de jaren, naarmate Jan ouder werd dus, een steeds diepere kloof van wantrouwen tussen hen.
En op een dag, toen Jan twijfelde of hij een paraplu of een parasol nodig had, liep de situatie uit de hand. Het rosse hoofd dacht dat het wel droog zou blijven en de krullenbol wist zeker dat het zou gieten. Het geruzie en gescheld dat uit dit in wezen pietluttig geschil ontaarde leidde tot een punt waarop de krullenbol uitriep:
"Draai je nu eindelijk eens om zodat ik in je gezicht kan spuwen!"
Het was toen dat beide hoofden zich in de vreemdste contorsies wringende, door hun onbeheerste haat voor elkaar, Jan zijn twee nekken omwrongen. Sindsdien loopt hij er wat stijfjes bij.


_____

6.6.13

De hemel

Hij was ook zo'n jongen die op zoek was. En op zekere dag verliet hij zijn dorp en vrienden omdat hij meende te weten waar hij het zou vinden.
Hij trok over hoge bergen en ging door diepe dalen, passeerde wijze mannen en verwijlde bij woeste vrouwen.
Op die manier kwam hij daar waarvan men zei dat het de hemel was. Daar is hij een hele tijd gebleven om te ondervinden hoe het aan den lijve was.
Uiteindelijk is hij toch terug gekomen. Langs de woeste vrouwen, verwijlend bij wijze mannen, door diepe dalen en over hoge bergen, terug naar waar hij meende thuis te komen.
"En, hoe was het in de hemel?" vroegen zijn vrienden.
"Ach, ook niet alles," antwoordde hij.
"Ja, het zal overal wel iets zijn." Wisten zij die waren thuisgebleven met zekerheid te zeggen.
En verder werd er nooit meer over gesproken, want overal was de jongen natuurlijk nooit geweest. Alleen maar naar waarvan men zei dat het de hemel was.


_____

5.6.13

De beren Brim en Brom



De beren Brim en Brom
waren beslist niet dom!
Als Brim zei 'Brom'
en Brom zei 'Grom',
dan weet al wie beers spreekt
ook precies waarom!


_____

4.6.13

De krant lezen kan uw dag structuur geven

Indien u de krant leest concentreer u dan op de tekst, artikel per artikel, zodat al het begrijpelijke tot u doordringt. Beschouw het onbegrijpelijke als poëzie. Sommige dagen zal, indien u eerlijk met uzelf bent, het poëtische de overhand nemen. Op die dagen kan u, nadat u de krant helemaal hebt uitgelezen, gaan wandelen. Dat raden wij u toch aan. Die routine, eens onder de knie, zal u in staat stellen om andere krantenlezers, zoals u er inmiddels een bent geworden, met één oogopslag te herkennen. Op zulke momenten krijgt een dag zin, maar vooral: structuur!


_____

3.6.13

Over het veranderen van mensen in dieren

De belangrijkste reden waarom mensen niet in dieren veranderd mogen worden is dat de meeste dieren daar niet geschikt voor zijn.
Als mensen niet in dieren veranderd mogen worden is het des te belangrijker om hen niet al te vaak met de neus op dat feit te drukken, want het is de mensensoort eigen dat zij juist daardoor naar zulke dingen gaat streven en alles in het werk zal stellen om dit mirakel verwezenlijkt te zien. In plaats van zich te beperken tot het doen van dingen die henzelf en andere mensen dienstig zijn. Want de mens ontkent maar al te vaak het beestachtige in zichzelf.


_____

1.6.13

De geruststelling

Er was eens een man die zo diep in zichzelf groef dat hij er langs achter weer uitkwam. Na die ervaring keek hij dwars door zichzelf heen naar de wereld. De mensen die zo door hem bekeken werden waanden hem een god, wat hij uiteraard niet was en toen men hem voor alle zekerheid ophing stierf hij gewoon binnen de te verwachten tijdspanne. Dat was een hele geruststelling, want per slot had hij toch heel wat van hen gezien.

_____