28.2.09

Alma levert strijd



Een hartelijk weerzien

Om kwart na zeven werden wij door een neutraal geklede chauffeur van het Ministerie van Communicatie opgepikt in de lobby van ons hotel. Behalve wat Duits sprak de man alleen maar Pools zodat het gesprek dat ik met hem wilde voeren niet echt vlotte, terwijl Alma heel de rit zwijgend naar buiten bleef kijken. Om vijf voor acht hielden wij halt voor het Ministerie van Communicatie, waar wij werden wij opgevangen door een bode die ons met stevige passen door een wirwar van gangen en verdiepingen naar het hart van het overheidsgebouw leidde.

Aanvankelijk zag alles er heerlijk ouderwets ambtelijk Oost-Europees uit, maar vanaf een bepaald moment leek het of we een ander tijdperk betraden. De gangen waren niet meer vanillekleurig geverfd en de deuren die we passeerden niet meer donkerkleurig gevernist, ineens leek het of we doorheen metalen buizen stapten met glazen deuren aan de zijkanten, die inzage boden op hypermodern ingerichte kantoren. Uiteindelijk gebaarde onze begeleidster ons om even te wachten in een wachtkamer en zelf verdween zij doorheen een imposante dubbele deur. Kort daarop kwam ze terug en nodigde ons met een sierlijke handbeweging uit om het aangrenzend vertrek in te gaan. Zelf kwam zij niet mee binnen, maar sloot zachtjes de deuren achter ons.

Het vertrek waarin wij ons bevonden straalde een en al efficiëntie uit. Efficiëntie mèt alle voorzieningen en gemakken die efficiënt werken mogelijk moeten maken aanwezig in de vorm van ergonomisch verantwoord meubilair, verlichting, een bar met drank en versnaperingen, een groot scherm voor presentaties, enz. De man die achter het bureau zat stond op en kwam met een stralende glimlach op ons af:

"Mevrouw Zichtopzee," klonk zijn heldere bariton, "Wat ben ik blij u terug te zien."

Verbaasd keek Alma hem aan: "Toergenjew? Kapitein Toergenjew?" Toen ontsnapte haar weer haar legendarische glimlach, alsof een raadsel opgelost was, "Ik had het kunnen weten, vroeger gebruikte je ook al die codenaam Mr. Factor. Nou, dan moet het wel een heel belangrijke opdracht zijn waarvoor mijn hulp werd ingeroepen, als ook u er bij betrokken bent... maar wat zie ik?" zei Alma, een blik werpend op een enveloppe die op het bureau lag, "Het is niet langer kapitein! U bent nu kolonel! Kolonel Toergenjew. Gefeliciteerd!"

"Dat heb ik helemaal aan u te danken, mevrouw Zichtopzee," antwoordde Kolonel Toergenjew galant, "Zonder uw hulp had ik nooit het raadsel van de menseneter van Bytom kunnen oplossen."

"Neen hoor, ùw daadkracht en uw intuïtie hebben toen nog twee mensenlevens gered, anders waren het er in totaal vijftien geweest!" Alma wist hoe zij complimenten moest geven en er voor zorgen dat de gelukkige die gecomplimenteerd werd die attentie niet wegwimpelde.

Het raadsel van de menseneter van Bytom, was een misdaaddrama dat een jaar of drie eerder heel Polen in rep er roer had gezet en de val van de toenmalige regering had veroorzaakt. Ik wist er slechts van omdat er ook in onze kranten aandacht aan besteed was, maar had eigenlijk nooit geweten dat Alma Zichtopzee er bij betrokken was geweest.

Kolonel Toergenjew straalde: "Hoe dan ook, het is dank zij u dat mijn carrière van de grond is gekomen. Dat ben ik niet vergeten, en daarom dat ik hemel en aarde heb bewogen om u bij deze zaak te betrekken, want mijn intuïtie zegt mij dat wij hier niet met wat heet een normale misdaad of misdaden te maken hebben."

"Dat is wel duidelijk," beaamde Alma, als de Verenigde Naties zich zorgen maken, als hier in Polen er alles aan wordt gedaan om de aandacht af te leiden, als deze ontvangst moet verlopen in een afdeling van het Ministerie van Communicatie in Krakow en niet in Warschau... Dan durf ik te vermoeden dat deze zaak als een crisis wordt ervaren."

Het gelaat van Kolonel Toergenjew werd zakelijk: "Precies. Wij zitten met onze handen in het haar. Er zijn al veel meer mensen verdwenen dan de rapporten die u tot nu toe ontving laten vermoeden. En er is geen touw aan vast te knopen. Wij worden geconfronteerd met een dreiging die m.i. het hart van de mensheid bedreigt, alleen weten wij bij god niet van wie die dreiging uitgaat! Maar kom, gaat u zitten, ook u meneer Van Heel. Ik zal de situatie schetsen, daarna krijgt u een eigen bureau en kopieën van alle mogelijke verslagen en processen-verbaal tot op heden."




Wordt vervolgd

27.2.09

De gelogen vrouw en de verzonnen man



De gelogen vrouw en de verzonnen man hielden werkelijk zielsveel van elkaar en, nadat zij meenden zeker te weten dat de ander de ware was, beloofden zij elkaar eeuwige trouw.

Maar hoe gaat dat? Met het samenwonen rezen er wederzijdse misverstanden die wederzijdse verklaringen vereisten die, op hun beurt dan weer, hun wederzijds geloof in elkaars oprechtheid op de proef stelden en, om eerlijk te blijven, dat wederzijds geloof in elkaars oprechtheid steeds meer schade toebrachten.

"Och, jij bent toch maar een verzonnen man!" kreet zij hem dan toe.
"En jij dan? Een gelogen wijf!" meende hij dan op zijn beurt te moeten riposteren.

Met dat soort opmerkingen stelden zij uiteraard elkaars diepste wezen in vraag, tot zij niet meer begrepen waar het echt om gaat.

24.2.09

Vader en zoon



"Maar wat scheelt er nu eigenlijk?"
"Schelen? Niets. Er scheelt niets."
"Er scheelt nooit iets."

23.2.09

Zennewater



"Zennewater?"

De overheersing van de bleekgezichten desoriënteerde Nooit-Missende-Pijl en zijn stam nog meer dan hij ooit had vermoed.

22.2.09

Een aforisme van Oom Floris



De beste stuurlui staan aan wal, de minder goede moeten er nog komen of geraken er niet.

De aprilviskweker



In alle stilte bereidt de aprilviskweker zich voor op zijn hoogdag. Die komt er weldra aan...

21.2.09

Alma levert strijd



Aankomst te Krakow

Met een vliegtuig, dat feilloos elke luchtzak op het traject naar Krakow wist te vinden, kwamen wij iets na de middag toe in Krakow. Onderweg speelden wij, om niet op te vallen, galgje en deden wij luidruchtig alsof wij ruzie hadden over woorden als "tafelboener", "fietsremolieleverancier" en "buitenhuisterrasmeubelen". Volgens Alma wekte dat de indruk dat wij een ouder echtpaar waren, met geld en tijd genoeg om handen om "of all places" een citytrip te maken naar Krakow.

Wij hadden gereserveerd in Hotel Wentzl, aan de Grote Markt, onder de naam Amanda en Antoon van Geel, van Belgische nationaliteit. Samen met de sleutel van onze kamer kreeg ik een briefje toegestopt van een zekere Mr. Factor. Of wij de volgende ochtend om acht uur naar het Ministerie van Communicatie kwamen.

"Het Ministerie van Communicatie?"
"Ssshhht..." fluisterde Alma, terwijl zij de lobby rondspiedde, "Dat zal wel bij de voorzorgsmaatregelen horen."
"O!"

Nadat we elk onze koffer hadden uitgepakt, besloot Alma om een bad te nemen. Met mijn rug naar haar toe gekeerd, en zo weinig mogelijk in de spiegel kijkend, fatsoeneerde ik mijn haar en poetste mijn tanden. Daarna gingen we eten. Het was een stevige Oost-Europese maaltijd, waar Alma, die van buitenaardse afkomst is, toch stevig van genoot, zo had ik de indruk. Tussen de gangen door vertelde zij mij een en ander over Krakow. Voor een buitenaardse bleek zij er veel van af te weten.
"Krakow is ontstaan rond een natuurlijke heuvel, de Wawel, en kwam als stad tot ontwikkeling op een kruispunt van oude handelswegen: de Barnsteenroute van de Oostzee naar Rome, en de route van Byzantium naar Parijs. Op de Wawel werd een burcht gebouwd, waar gedurende vijf eeuwen de Poolse koningen resideerden. Een van hen was Casimir de Grote, die in 1364 de nu nog steeds bestaande universiteit stichtte. Op de Wawel staat naast de burcht ook nog de kathedraal. Onder aan de Wawel is er de drakengrot. De legende wil dat daar in de Middeleeuwen een draak woonde die elke dag gevoerd werd met schapen en varkens. Koning Krak beloofde dat hij die de draak zou verslaan, met zijn dochter mocht trouwen. Een schoenmaker nam de uitdaging aan. Hij slachtte een schaap, vulde het met zwavel en naaide het weer dicht. De draak at het schaap op, vloog in brand en sprong in de Wisla, dat is de Weichsel. Daar dronk hij zoveel dat hij open barstte. Uit blijdschap omdat zij van de draak verlost waren maakten de inwoners van Krakow een koperen beeld van de draak, dat zij bij de grot neerpootten als herinnering. In 1795 werd Krakow aangehecht bij Oostenrijk, maar in 1809, nadat het door Napoleon werd veroverd viel de stad het Hertogdom Warschau ten deel. Dit hertogdom werd na de val van Napoleon ontmanteld en op het Congres van Wenen aan Rusland en Pruisen toegekend. Over Krakow raakte men het echter niet eens en dus verklaarde men de stad en de omliggende gebieden tot vrije, onafhankelijke en strikt neutraal gebied. Deze Republiek Krakow werd in 1846 opnieuw door Oostenrijk geannexeerd. Na de Eerste Wereldoorlog werd de stad weer Pools. In 1912 en 1931 vonden in Krakow Universele Esperantocongressen plaats." vertelde Alma alsof zij hier dagelijks toeristen rond leidde.
"Daar kan ik alleen maar aan toevoegen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog Krakow de hoofdstad van het Nazi-Duitse General-Gouvernement was en dat Hans Frank in de burcht op de Wawel woonde." zei ik, een heerlijk stuk Poolse worst op mijn vork spietsend.

Na de maaltijd voelde ik lust om de stad te gaan verkennen.
"Wees voorzichtig, Antoon," maande Alma mij aan zoals alleen bezorgde echtgenotes dat kunnen, "Laat je nergens bedotten en denk aan morgen. Zelf blijf ik liever in het hotel, ik wil nog wat met mijn interstellaire lichaamsritmen werken."
Ik begreep toen nog niet wat zij daar precies mee bedoelde.

Krakow is een prachtige stad en ons hotel, het Wentzl bevond zich in het hartje ervan, aan de Rynek Glówny of Grote Markt, direct aansluitend aan de Rynek Maly of Kleine Markt. De Grote Markt is volgens mij een van de grootste en mooiste marktpleinen van Europa. Het plein werd in de 13e eeuw ontworpen en meet ongeveer tweehonderd bij tweehonderd meter. Aan elke kant komen er drie straten op uit. Elk van die straten leidt naar de stadsmuur, waarvan elke tweede naar een stadspoort leidt. De meeste straten in het centrum zijn evenwijdig aan de straten die vanuit de markt vertrekken en zijn steeds op ongeveer dezelfde afstand van elkaar aangelegd, zodat de ruimtes tussen de straten vrijwel vierkant zijn, wat ik heel bijzonder vind. De weinige afwijkingen op dit patroon worden veroorzaakt doordat men enkele straten van vóór het ontwerpplan van de Grote Markt heeft ingepast. Waarschijnlijk woonden er daar in die tijd rijke en invloedrijke mensen. Aan de rand van het marktplein staat de Mariakerk, waarvan het hoogaltaar is gemaakt door de beeldhouwer Veit Stoss. Op het plein staan diverse gebouwen in verschillende stijlen: de Raadhuistoren, de Lakenhal en de Sint-Adalbertkerk. Eén van de mooiste barokkerken die ik heb gezien, en dat zijn er heel wat mag ik zeggen, is de Sint Annakerk in de nabijheid van het marktplein, naar een ontwerp van Tielman van Gameren, een van oorsprong Nederlandse architect.
In de buurt van de Sint Annakerk kocht ik een lokale versnapering, een obwarzanki, een soort broodje dat wel prima smaakte, maar spoedig op mijn maag bleef liggen, waardoor ik niet meer met volle aandacht van het cultureel patrimonium van Krakow kon genieten en besloot om maar terug naar het hotel te gaan.
Daar bleek Alma al diep in slaap te zijn. Ik volgde haar voorbeeld, omdat ik door dat broodje niet echt in de stemming was om aan haar interstellaire lichaamsritmen te denken.
Wordt vervolgd

Een aforisme van Oom Floris



“Zolang je iets ontbeert,
heb je niet genoeg geconsumeerd.”

Ook dat nog



“Maar zwijg nu toch eens. Zij wil niet van je weten en daarmee uit. Zij moet je niet. Ik snap niet dat het niet tot je doordringt. Geen kat is in jou geïnteresseerd.”

19.2.09

Worstelaars



De grote woeste worstelaar, die met de handen die ontzettend hard kunnen knijpen, zat op een bank op het marktplein treurig voor zich uit te kijken zoals alleen grote woeste worstelaars dat kunnen, al ziet men hen dit niet vaak doen.
"Wat scheelt er grote woeste worstelaar?" vroeg ik bedeesd en ook van op zekere afstand.
"Ach, ik ben zo eenzaam. Mijn handen zijn veel te groot en te ruw en veel te sterk om zacht om te kunnen gaan met vrouwen. Ik heb er al zoveel pijn gedaan."
Ik kon mij zijn verdriet heel goed voorstellen want ik worstel met hetzelfde probleem, weze het op iets kleinere schaal: ook ik doe vrouwen veel verdriet.
Maar voor ik hem kon troosten door hem op mijn eigen ongeluk te wijzen kwam er met zware stappen een ruw en schonkig wijf aangelopen:
"Worstelaar, ik heb mij bedacht, ik weet dat jij het niet slecht bedoelt, en och, een hard kneepje zo nu en dan is nu ook weer niet zo èrg. Ik vind dat eigenlijk wel fijn. Laten wij het nog eens proberen." Zij greep hem bij de arm en opgewonden keuvelend gingen zij hun weg.

17.2.09

De figuranten



Op weg naar een beter verhaal dan dat waaruit zij wegvluchten, blijven de figuranten, toch wel enigszins beducht voor het nieuwe, dicht bij elkaar fietsen!

16.2.09

Twee vertikaal!

Jan telt zijn geld



“Je zal mij wel een burgertrut vinden, maar volgende keer zou ik er graag een van Delvaux hebben.”
“Een burgertrut? Jij Ingrid? Dat heb ik toch nooit gezegd!”

15.2.09

Internet bestond nog niet



Na die eerste seksuele ervaring haastte Kareltje zich huiswaarts, om het zijn moeder en zijn vader te vertellen.

Inderdaad, Facebook bestond nog niet.

14.2.09

Opstand



"En als wij nu eens ergens voor zouden vechten?"
"Vechten? Hoezo? Waarmee dan?"
"Met protesteren. Met woorden. Met messen. Gedichten. Muziek. Leugens. Gezagsondermijnend gedrag. De waarheid. Bedrog. Met al wat er is. Zoals altijd als er gevochten wordt."
"Ja, dat zou nogal wat zijn."
"Dus?"
"Maar waarom?"

13.2.09

Zeldzame beroepen



Dank zij het uitbeelden van kruiswoordraadsels in openbare ruimten verdienden zij er een aardig centje bij, waardoor zij de kinderen konden laten studeren.

“Kom Jan, nu zeven horizontaal!”

12.2.09

Alma levert strijd



Een nieuw avontuur van Alma Zichtopzee

Het was in de dagen dat ons land op zijn grondvesten daverde, ten gevolge van de Fortiskwestie en de bevolking zuchtte onder het ondraaglijk lichte juk van algemene malcontentheid en zelfmedelijden, dat Alma Zichtopzee, de wereldvermaarde privédetective van buitenaardse afkomst, na een periode van lange afwezigheid weer voor mijn deur in de Stationsstraat nr. 97 in Zaventem opdoemde. Ik had toen pas die pijnlijke scheiding van mijn vrouw achter de rug en het deed mij, eerlijk gezegd, veel deugd om Alma terug te zien.

Alma was zoals steeds haar eigen positieve zelf, zich volkomen bewust van haar buitengewone gaven en présence, en stapte zonder dat ik haar formeel had binnengenodigd mijn flatje in. Daar gaf zij onmiddellijk blijk van haar vlijmscherpe scherpzinnigheid en tact door afkeurend rond te kijken, maar niets te zeggen.
Tot zij besloot ter zake te komen en de woorden uitsprak die onze avonturen samen aan het rollen brachten:

"Wel, Jan Van Heel, het zal je plezieren dat ik speciaal voor jou naar hier ben gekomen. Ik heb je nodig."
"Wel, ik ben pas gescheiden, dus de weg is vrij!" probeerde ik lacherig, al besefte ik drommels goed dat zij het over iets anders had.
"Het gaat om een internationale, misschien wel interstellaire zaak."
"Er moet dus veel gereisd worden?"
"Ja, onmiskenbaar. Om te beginnen naar Krakow."
"Om te beginnen? Waarheen daarna?"
"Tja, dat zal pas in Krakow duidelijk worden, maar er zijn aanwijzingen die leiden naar Uji, Lisala, Deimos, Los Alamos en Bam. Al is het even goed mogelijk dat de zaak in en rond Krakow opgelost kant worden.

Ik wist niet wat ik ervan denken moest en keek haar fronsend aan.

"Het interesseert je toch wel, Jan?" vroeg Alma, "Wij hebben vroeger toch al goed samengewerkt?"
Daarmee had zij het over de tijd dat ik nog als inspecteur en commissaris werkte voor de Belgische recherche, maar net zoals achter mijn huwelijk had ik ook achter mijn carrière een punt gezet.

"Ik weet niet of die dingen nog wel voor mij weggelegd zijn..." antwoordde ik ernstig.
"Het gaat hier om een zaak, die zoals ik al zei, van internationaal belang is en mij werd opgedragen door de Verenigde Naties. Het is de eerste keer dat een dergelijke opdracht, unaniem gesteund door de Grote Tien nog wel, op deze manier wordt aangepakt."
"En ik fungeer als dommekracht? Is dat de bedoeling Alma?" zei ik bitter, omdat ik uit ervaring wist dat bescheidenheid niet de sterkste deugd was van mijn vriendin.
"Neen Jan. Ik begrijp wat je bedoelt, maar dat is het niet. Ik ken je en jouw intuïtieve ingevingen zouden wel eens van cruciaal belang kunnen zijn. Wij staan hier voor een vijand die werkelijk voor niets staat."
"Maar wat is er eigenlijk aan de hand?" vroeg ik nieuwsgierig.
"Wel, het zal de meesten nog niet opgevallen zijn tussen alle non-events die de media het publiek voorschotelen, maar het gaat om een reeks van onrustwekkende verdwijningen, mannen en vrouwen, overal ter wereld, die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, behalve het feit dat zij verdwenen na een bezoek aan een Carrefourfiliaal."

Deze uitleg, en het feit dat Alma mij met haar ravissante ogen recht aankeek toen zij mij deze uitleg verschafte, maakten dat ik twee dagen later met haar mee naar Krakow ging.

Wordt vervolgd

10.2.09

Lord Kensington



Aangezien hij Lord Kensington de bergplaats, van de preferente aandelen, nog niet had ontfutseld, gebood Miller, de valse butler, zijn doofstomme kompaan Barney Stokes om de Lord nog niet om het leven te brengen.

9.2.09

De oneindigheid begint hier!



Nadat zij al drie jaar naast ons woonden kwamen onze linkerburen zich eindelijk eens voorstellen.
"Hallo, wij zijn uw linkerburen en zouden het nu eindelijk eens met u willen hebben over uw rechterbuurschap."
Ik was even verbouwereerd door die recht-toe-recht-aan aanpak:
"Mijn rechterbuurschap?"
"Ja, wij appreciëren de kordate en standvastige aanpak waarmee u uw rechterbuurschap ter harte neemt en vinden het, als uw linkerburen, eindelijk tijd geworden om u daarvoor te feliciteren."
"D-dat is vriendelijk..." aanvaardde ik dit toch wel heerlijke compliment.
"Maar mogen wij u ook iets vragen?"
"Natuurlijk," antwoordde ik, "daarvoor zijn we toch buren!"
"Hebt ù, als linkerbuur van uw rechterburen, ook al eens aan hen gedacht en hèn voor hun nabuurschap bedankt? Want u kan toch moeilijk uw linkerbuurschap ontkennen door hun rechterbuurschap te miskennen?"

Pas toen begreep ik dat ik met mijn gezin misschien wel deel uitmaak van iets oneindig!

8.2.09

Waarom Jan en Ingrid niet meer vrijen



"Waarom vrij je niet meer met mij?"
"Hoezo? Ik vrij niet meer met jou? Jij bent het die zo passief bent geworden. Vroeger kon je niet van me afblijven."
"Dat is het juist! Waarom moet ik altijd eerst beginnen?"
"Maar dat hoort toch zo!"
"?"

7.2.09

De ruil



Hoe ik zo ineens vierendertig jaar jonger ben? Ik vraag mij ook af waar ik het aan heb verdiend, maar toen het moment daar was heb ik niet geaarzeld.
Ik zat in de keuken en had pas mijn pillen tegen reuma en mijn oogdruppels op de tafel klaargezet met een glas water, toen er gebeld werd. Zo snel als mijn leeftijd het mij toeliet liep ik naar voor om open te doen.
“Wie bent u?” vroeg ik.
Mijn bezoekster, een scoutsmeisje van een jaar of zestien, keek mij vorsend aan maar maakte geen aanstalten om te antwoorden.
“Wie bent u? Wat wil u?” kraakte ik geïrriteerd door die jeugdige onbeleefdheid.
“Ik wil ruilen met u. Gewoon ruilen. Uw levensjaren tegen de mijne.”
“O, kom dan maar binnen,” greep ik mijn kans. Ik had al wel gehoord over die scouts met hun goede daden.
Zij stapte de gang in, maar verder wilde zij niet komen.
“Het lukt hier ook wel,” en zij nam mij meteen in een stevige omhelzing, op een manier die ik al lang had opgegeven te denken dat het mij nog eens te beurt zou vallen. Het wonder voltrok zich vrijwel onmiddellijk. Terwijl ik over haar schouder, waarbij de jeugdige geur van haar hals mij bijzonder trof, naar de pendule keek voelde ik al mijn pijntjes, stramheden en ongemakken als het ware verdampen.
“Zo,” zei ze toe ik mij net iets jonger dan negenentwintig voelde worden, “dat zal wel voldoende zijn.”
Daar was ik het volkomen mee eens toen ik met vier treden tegelijk de trap op holde om in de badkamerspiegel te gaan kijken naar mijn jeugdiger ik, nadat zij voorzichtig als een waardige vrouw van tegen de vijftig in scoutskleren, de voordeur achter zich dicht had gedaan.

4.2.09

Ik heb het in mij!



Aangemoedigd door een dolenthousiaste menigte mocht ik haar tien zweepslagen geven.

Dat deed ik met verve.

"..., NEGEN! TIEN!"

klonk het uit honderden kelen.

Nooit gedacht dat ik het in me had.

3.2.09

Mondhygiëne



"U bent waarschijnlijk heel eenzaam," zei de vrouw die ik pas had leren kennen.
We hadden afgesproken in een stationsrestauratie.
"Daar hebt u een punt, ja." antwoordde ik schoorvoetend.
Ik had mij voorgenomen om van de eerste keer eerlijk te zijn.
"Mondhygiëne," zei ze eenvoudig.
"Hoezo? Mondhygiëne?"
"Daar moet u meer aandacht aan besteden."
"Maar dat doe ik. Ik besteed heel veel aandacht aan mondhygiëne."
"Flost u?"
"N-niet zo dikwijls."

Zij bleek dus een ijverig floster te zijn.

Voor de rest voerden wij een heel alledaags gesprek, dat afliep met haar aanbod om onze consumpties te betalen.

Ik heb maar beloofd haar nog eens op te bellen.

2.2.09

An en Jan (2)



"Wat zeg ik aan Ingrid?"
"Wat dacht je van de waarheid? Dat je het om een of andere reden nodig vond om, met een kopje koffie in elke hand, van de vijfde trede van de trap te springen en dat daarbij, bij het neerkomen, de naad van je broek is gescheurd?"

1.2.09

An en Jan (1)



"Wat zeg ik nu aan Ingrid?"
"Ach, zeg maar niks."